Search Header Logo
Situaties beschrijven

Situaties beschrijven

Assessment

Presentation

World Languages

Professional Development

Practice Problem

Hard

Created by

p.kolthof89@gmail.com p.kolthof89@gmail.com

FREE Resource

19 Slides • 0 Questions

1

media

Situaties beschrijven

2

Zeggen wat iemand doet

zijn + aan het + hele werkwoord

Hij is aan het rennen.
De bakker is een brood aan het bakken.

3

Zeggen wat iemand doet

staan / liggen / zitten / lopen + te + hele werkwoord

Je doet twee dingen op hetzelfde moment.

Hij zit spaghetti te eten.
De vrouw ligt een boek te lezen.

4

Zeggen waar iets is

staan / liggen / zitten / hangen + voorzetsel

De lepels liggen in de la.
Het glas staat op tafel.

Je kunt ook er gebruiken:
Er liggen lepels in de la.
Er staat een glas op tafel.

5

media

Wat doet hij?

6

media

​Hij is een lamp aan het vervangen.

Hij staat een lamp te vervangen.

Hij staat aan de lamp te draaien.

Wat doet hij?

7

media

Wat doen zij?

8

media

​Ze zijn aan het timmeren.

Ze staan te timmeren.

Ze staan spijkers in het hout te slaan.

Wat doen zij?

9

media

Wat doet hij?

10

media

Hij is op het bankje aan het zitten.​

Hij zit op de trein te wachten.

Hij zit op de laptop te werken.

Wat doet hij?

11

media

Wat doet zij?

12

media

​Zij is aan een bloem aan het ruiken.

Zij is bloemen aan het plukken.

Zij ligt aan een bloem te ruiken.

Wat doet zij?

13

media

Wat doen zij?

14

media

​Zij zijn aan het wandelen.

Zij lopen te praten / kletsen.

Wat doen zij?

15

media

Waar is de kast?

16

media

​De kast staat in de hoek van de kamer.

Waar is de kast?

17

media

Waar zijn de grijze schoenen?

18

media

​De schoenen liggen op de grond.

Ze liggen voor de kast.

Waar zijn de grijze schoenen?

19

​Wat zie je?

media
media

Situaties beschrijven

Show answer

Auto Play

Slide 1 / 19

SLIDE