NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsOefenen vraagstukken
Total questions: 12
Worksheet time: 3600secs
Name
Class
Date
1.
Jan heeft sproeten en zijn ouders hebben dat niet. Het wel of niet hebben van sproeten is erfelijk en wordt bepaald door één gen dat niet X-chromosomaal is.
Wat is het genotype van Jan? En wat is het genotype van zijn ouders?
Wat is het genotype van Jan? En wat is het genotype van zijn ouders?
a)
Jan is aa en zijn ouders zijn Aa x Aa.
b)
Jan is aa en zijn ouders zijn Aa x aa of Aa x Aa.
c)
Jan is Aa en zijn ouders zijn Aa x aa of Aa x Aa.
d)
Jan is Aa en zijn ouders zijn AA x aa.
2.
Bij Drosophila is het allel voor gewone lichaamskleur dominant over het allel voor een zwarte lichaamskleur. Het gen is niet X-chromosomaal. Twee vliegen werden gekruist en kregen 99 gewone en 32 zwarte nakomelingen.
Wat is het genotype van de ouders? En wat is het fenotype van de ouders?
Wat is het genotype van de ouders? En wat is het fenotype van de ouders?
a)
genotype: Aa x aa en fenotype: gewoon x zwart
b)
genotype: Aa x Aa en fenotype: zwart x zwart
c)
genotype: Aa x Aa en fenotype: gewoon x gewoon
d)
genotype: AA x aa en fenotype: gewoon x zwart
3.
Bij Drosophila komt onder andere het allel 'vleugels zonder dwarsaders' voor. Dit allel is X- chromosomaal en recessief. Een vrouwtje met vleugels zonder dwarsaders wordt gekruist met een mannetje met normale vleugels. De F1-individuen die hieruit ontstaan, worden onderling gekruist en er ontstaat een F2.
Hoeveel % van de vrouwtjes uit de F2 heeft vleugels zonder dwarsaders?
Hoeveel % van de vrouwtjes uit de F2 heeft vleugels zonder dwarsaders?
a)
0%
b)
25%
c)
50%
d)
100%
4.
Bij bepaalde soorten koekoeksbloemen zijn de geslachtschromosomen van vrouwelijke planten XX en voor mannelijke planten XY. Het gen voor bladvorm is X-chromosomaal. Het dominante allel A veroorzaakt brede bladeren en het recessieve allel a veroorzaakt smalle bladeren.
Een vrouwelijke plant die heterozygoot is voor brede bladeren wordt gekruist met een breedbladige mannelijk plant.
Welke fenotypen komen bij de mannelijke en vrouwelijke nakomelingen voor en in welke verhouding?
Een vrouwelijke plant die heterozygoot is voor brede bladeren wordt gekruist met een breedbladige mannelijk plant.
Welke fenotypen komen bij de mannelijke en vrouwelijke nakomelingen voor en in welke verhouding?
a)
breed : smal bij man = 1 : 0 en bij vrouw = 1 : 0
b)
breed : smal bij man = 1 : 1 en bij vrouw = 1 : 1
c)
breed : smal bij man = 1 : 1 en bij vrouw = 1 : 0
d)
breed : smal bij man = 1 : 0 en bij vrouw = 1 : 1
5.
Bij cavia's is het allel voor zwarte haarkleur (A) dominant over dat voor witte haarkleur (a); het allel voor een ruwe vacht (B) is dominant over dat voor een gladde vacht (b). Beide genen erven onafhankelijk over en zijn niet X-chromosomaal.
Men kruist twee dieren die heterozygoot zijn voor beide allelen.
Welk deel van de nakomelingen is homozygoot voor zowel zwart als ruw?
Men kruist twee dieren die heterozygoot zijn voor beide allelen.
Welk deel van de nakomelingen is homozygoot voor zowel zwart als ruw?
a)
1/16
b)
3/16
c)
9/16
d)
3/4
6.
Men kruist twee organismen met de volgende genotypen: AaBbCcdd x aaBbccDd.
Hoe groot is de kans op een nakomeling die voor alle genen homozygoot recessief is?
Hoe groot is de kans op een nakomeling die voor alle genen homozygoot recessief is?
a)
1/4
b)
1/8
c)
1/16
d)
1/32
7.
Hierachter staat de overerving van een niet X-chromosomaal gen aangegeven. De rood aangegeven personen hebben rood haar. De andere personen hebben zwart haar.
Uit welk van de nakomelingen 12, 13, 14 en 15 blijkt dat de eigenschap niet X-chromosomaal kan zijn?
Uit welk van de nakomelingen 12, 13, 14 en 15 blijkt dat de eigenschap niet X-chromosomaal kan zijn?
a)
uit 12
b)
uit 13
c)
uit 15
d)
uit 15
8.
Hierachter staat de overerving van een niet X-chromosomaal gen aangegeven. De rood aangegeven personen hebben rood haar. De andere personen hebben zwart haar.
Hoe groot is de kans dat persoon 13 heterozygoot is?
Hoe groot is de kans dat persoon 13 heterozygoot is?
a)
0
b)
1/4
c)
1/2
d)
2/3
9.
Bij de bloedgroepen spelen drie allelen IA, IB en i een rol.
Moeder heeft bloedgroep A en vader heeft bloedgroep B. Hun eerste zoon heeft bloedgroep A.
Kan de kans dat een tweede zoon bloedgroep B heeft, berekend worden? Zo ja, hoe groot is deze kans?
Moeder heeft bloedgroep A en vader heeft bloedgroep B. Hun eerste zoon heeft bloedgroep A.
Kan de kans dat een tweede zoon bloedgroep B heeft, berekend worden? Zo ja, hoe groot is deze kans?
a)
Ja, de kans is 1/2
b)
Ja, de kans is 1/4
c)
Ja, de kans is 1/3
d)
Nee
10.
Bij de bloedgroepen spelen drie allelen IA, IB en i een rol.
Een vrouw heeft bloedgroep B en haar kind heeft bloedgroep B. Er zijn twee mannen die allebei beweren de vader van het kind te zijn. Man 1 heeft bloedgroep A en man 2 heeft bloedgroep B.
Kan men op grond van de bloedgroep bepalen wie de echte vader is? Zo ja, welke man is dat dan?
Een vrouw heeft bloedgroep B en haar kind heeft bloedgroep B. Er zijn twee mannen die allebei beweren de vader van het kind te zijn. Man 1 heeft bloedgroep A en man 2 heeft bloedgroep B.
Kan men op grond van de bloedgroep bepalen wie de echte vader is? Zo ja, welke man is dat dan?
a)
Ja, man 1
b)
Ja, man 2
c)
Ja, geen van beide mannen
d)
Nee
11.
Bij muizen komen voor een bepaalde eigenschap twee allelen E1 en E2 voor. Een zaadcel kan geen eicel bevruchten als er in de cellen van de baarmoeder eenzelfde allel voorkomt.
Een vrouwtje met genotype E1E1 wordt gekruist met een mannetje met genotype E1E2.
Welk genotype kan of welke genotypen kunnen onder de nakomelingen voorkomen?
Een vrouwtje met genotype E1E1 wordt gekruist met een mannetje met genotype E1E2.
Welk genotype kan of welke genotypen kunnen onder de nakomelingen voorkomen?
a)
alleen E1E1
b)
zowel E1E1 als E1E2
c)
E1E2
12.
Bij mensen is het gen voor een bepaalde vorm van kleurenblindheid X-chromosomaal. Eén op de zeven niet-kleurenblinde vrouwen is hiervoor heterozygoot. Een man en een vrouw kunnen normaal kleuren zien. Deze twee mensen krijgen een kind. Over hun voorouders zijn geen gegevens bekend.
Aangenomen mag worden dat er geen mutatie of crossing-over heeft plaatsgevonden.
Hoe groot is de kans dat dit kind die bepaalde vorm van kleurenblindheid heeft?
Aangenomen mag worden dat er geen mutatie of crossing-over heeft plaatsgevonden.
Hoe groot is de kans dat dit kind die bepaalde vorm van kleurenblindheid heeft?
a)
0
b)
1/28
c)
1/14
d)
1/49
Reset
