WorksheetsNederlandse woorden
Total questions: 30
Worksheet time: 15mins
Name
Class
Date
1.
fenomeen
a)
opvallend verschijnsel
b)
onopvallend verschijnsel
2.
geoloog
a)
Wetenschapper die studie maakt van de samenstelling en het ontstaan van de aardkorst.
b)
iemand de verstand heeft van opgravingen
3.
de indicatie
a)
de aanwijzing, vaststelling
b)
hoek van zonnepanelen met de horizon
4.
confisqueren
a)
gerechtelijk in beslag nemen
b)
zelfbewust, zelfverzekerd
5.
het exhibitionisme
a)
het te koop lopen met iets
b)
iets graag kwijt willen
6.
nazaat
a)
afstammeling, nakomeling
b)
grens
7.
seponeren
a)
een geneesmiddel toedienen
b)
een zaak bij de rechter niet verder behandelen.
8.
saillant
a)
opmerkelijk
b)
onopmerkelijk
9.
imaginair
a)
denkbeeldig
b)
zich bedenken
10.
schamperen
a)
waarderen
b)
spottend
11.
surseance
a)
vooruit betalen
b)
uitstel van betaling
12.
impasse
a)
Een probleem dat je niet kunt oplossen
b)
echtheid
13.
provocatie
a)
uitdaging
b)
extra onderdelen
14.
gefingeerd
a)
wat te maken heeft met de erfelijkheid
b)
verzonnen
15.
kwantiteit
a)
hoeveelheid
b)
erg goed
16.
memorabel
a)
vaak iets vergeten
b)
om te herinneren
17.
appreciëren
a)
waarderen
b)
afschuw
18.
durrogaat
a)
iets wat iets anders moet vervangen
b)
niet vervangbaar
19.
fiatteren
a)
goedkeuren
b)
niet goed keuren
20.
iets in de ijskast zetten
a)
iets uitstellen
b)
iets vergeten
21.
mutatie
a)
verandering
b)
iets wat vaak het zelfde is
22.
intrinsiek
a)
van buitenuit
b)
van binnenuit
23.
distantiëren
a)
afscheid nemen van
b)
begroeten van
24.
provoceren
a)
twijfelen
b)
uitdagen
25.
labiel
a)
onstandvastig
b)
uit de hand lopen
26.
apathisch
a)
zonder emoties
b)
met veel emoties
27.
reduceren
a)
groter of meer maken
b)
kleiner of minder maken
28.
rancuneus
a)
haatdragend
b)
liefdevol
29.
introvert
a)
erg spontaan
b)
in zichzelf gekeerd
30.
nivellering
a)
gelijkmaking
b)
bedrog
100 %
