NEW
Font size
S
M
L
XL
Worksheetspluriforme samenleving
Total questions: 17
Worksheet time: 6mins
Name
Class
Date
1.
In welke situatie is sprake van cultuur?
I. Een meisje eet met stokjes.
II. Een meisje kauwt op haar eten.
III. Een meisje eet met mes en vork.
IV. Een meisje krijgt honger.
I. Een meisje eet met stokjes.
II. Een meisje kauwt op haar eten.
III. Een meisje eet met mes en vork.
IV. Een meisje krijgt honger.
a)
I en III.
b)
I, II en III.
c)
Alleen III.
d)
In alle gevallen.
2.
Welke van de onderstaande mensen is een autochtoon?
a)
Griselda heeft de Nederlandse nationaliteit, maar is geboren in Suriname.
b)
De Amerikaan John Davis is van de Verenigde Staten naar Nederland verhuisd.
c)
Patrick is geboren in Emmen. Zijn ouders komen uit Drachten, maar zijn grootouders waren Frans.
d)
Mariëtte is geboren en opgegroeid in Brussel. Via een uitwisselingsprogramma studeert ze nu in Amsterdam.
3.
Socialisatie zorgt onder andere voor:
I. de ontwikkeling van iemands persoonlijke identiteit.
II. het doorgeven van waarden, normen en andere cultuurkenmerken.
I. de ontwikkeling van iemands persoonlijke identiteit.
II. het doorgeven van waarden, normen en andere cultuurkenmerken.
a)
I is juist, II is onjuist.
b)
I is onjuist, II is juist.
c)
I en II zijn beide juist.
d)
I en II zijn beide onjuist
4.
Bij internalisatie:
a)
is er sprake van onvolledige socialisatie.
b)
leren mensen door sociale controle cultuurkenmerken aan.
c)
staat de loyaliteit aan de dominante cultuur centraal.
d)
gedragen mensen zich zoals de groep van hen verwacht.
5.
Wanneer jongeren zich groepsgewijs duidelijk van anderen onderscheiden in uiterlijk, mode en opvattingen, maken zij deel uit van:
a)
collectivistische subcultuur.
b)
een tegencultuur
c)
een dominante cultuur
6.
I. Rolpatronen zijn cultureel bepaald.
II.Rolpatronen veranderen door de tijd heen.
II.Rolpatronen veranderen door de tijd heen.
a)
I is juist, II is onjuist.
b)
I is onjuist, II is juist.
c)
I en II zijn beide juist.
d)
I en II zijn beide onjuist.
7.
Welke van de onderstaande kenmerken gaan over Nederland van voor de jaren zestig?
I. Er bestaat een groot verschil tussen de sociaaleconomische klassen.
II. Er zijn sterke gezagsverhoudingen tussen werkgevers en hun personeel.
III. Er zijn alleen wonende jongeren, eenoudergezinnen en woongroepen.
I. Er bestaat een groot verschil tussen de sociaaleconomische klassen.
II. Er zijn sterke gezagsverhoudingen tussen werkgevers en hun personeel.
III. Er zijn alleen wonende jongeren, eenoudergezinnen en woongroepen.
a)
II en III.
b)
I en III.
c)
I en II.
d)
Alle kenmerken.
8.
In Groot-Brittannië is er maar één publieke tv-omroep: de BBC. In Nederland zijn er juist heel veel, zoals de AVRO, NCRV, KRO, VARA, enzovoort. Dit feit laat zien dat:
I. Nederland verzuild is geweest.
II. de welvaart in Nederland groter is dan in Engeland.
III. er in Nederland verschillende subculturen bestaan.
I. Nederland verzuild is geweest.
II. de welvaart in Nederland groter is dan in Engeland.
III. er in Nederland verschillende subculturen bestaan.
a)
I en II zijn juist.
b)
I en III zijn juist.
c)
II en III zijn juist.
d)
I, II en III zijn juist.
9.
Welke van onderstaande groepen kwamen naar Nederland met economische motieven?
a)
Franse protestanten, Duitse landarbeiders, Turkse migranten.
b)
Marokkanen, Spanjaarden, Poolse bouwvakkers.
c)
Joodse handelaren, Marokkanen, Somaliërs.
d)
Duitse landarbeiders, Indische Nederlanders, Molukkers.
10.
Mahmood voerde in Iran actie tegen de regering. Hij werd gezocht door de politie maar kon nog net naar Nederland ontsnappen, waar hij asiel aanvroeg. Tot welke groep immigranten behoort hij?
a)
Kennismigrant.
b)
Politieke vluchteling.
c)
Illegaal.
d)
EU-onderdaan.
11.
Er is sprake van …………….. als een nieuwkomer heel veel van zijn eigen cultuur vervangt door de nieuwe dominante cultuur.
Welk woord is weggelaten?
Welk woord is weggelaten?
a)
integratie.
b)
segregatie.
c)
assimilatie.
d)
discriminatie.
12.
Met integratie bedoelen we dat nieuwkomers zich aanpassen aan de Nederlandse cultuur:
a)
met behoud van eigen cultuurkenmerken.
b)
en de Nederlanders zich aanpassen aan de culturen van de nieuwkomers.
c)
en de eigen cultuur vrijwel geheel verdwijnt.
13.
I. Aan het kopen van één broodje kaas gaan tientallen economische bindingen vooraf.
II. Mensen die stemmen hebben politieke bindingen.
II. Mensen die stemmen hebben politieke bindingen.
a)
I is juist, II is onjuist.
b)
I is onjuist, II is juist.
c)
I en II zijn beide juist.
d)
I en II zijn beide onjuist.
14.
Nederland is verplicht asielzoekers op te nemen als deze:
a)
in aanmerking komen voor een Nederlands paspoort.
b)
in aanmerking komen voor de status van erkende vluchteling.
c)
via andere EU-landen naar Nederland zijn gekomen.
15.
Globalisering is niet bevorderlijk voor onze sociale cohesie omdat globalisering:
a)
de economische bindingen tegenwerkt.
b)
alleen op economische bindingen is gebaseerd.
c)
voornamelijk is gebaseerd op politieke bindingen.
d)
de bindingen binnen/met de eigen samenleving verkleint.
16.
I. Het ritsmodel van het CDA beoogt de assimilatie van nieuwkomers.
II. De VVD vindt dat de overheid een belangrijke ondersteunende rol moet spelen bij de integratie van nieuwkomers.
II. De VVD vindt dat de overheid een belangrijke ondersteunende rol moet spelen bij de integratie van nieuwkomers.
a)
I is juist, II is onjuist.
b)
I is onjuist, II is juist.
c)
I en II zijn beide juist.
d)
I en II zijn beide onjuist.
17.
In welke situatie is sprake van cultuur?
I. Een meisje eet met stokjes.
II. Een meisje kauwt op haar eten.
III. Een meisje eet met mes en vork.
IV. Een meisje krijgt honger.
I. Een meisje eet met stokjes.
II. Een meisje kauwt op haar eten.
III. Een meisje eet met mes en vork.
IV. Een meisje krijgt honger.
a)
I en III.
b)
I, II en III.
c)
Alleen III.
d)
In alle gevallen.
Reset
