Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Paragraaf 7.1

Total questions: 11

Worksheet time: 4mins

Name
Class
Date
1.
Productie in ruime zin gaat om alle activiteiten gericht op het vervullen van menselijke behoeften
a)
Waar
b)
Niet waar
2.
Productie in enge zin of formele productie is de officieel geregistreerde productie die plaatsvindt bij de overheid en in de bedrijven
a)
Waar
b)
Niet waar
3.
Vrijwilligerswerk is een voorbeeld van informele productie
a)
Waar
b)
Niet waar
4.
Productie van bedrijven valt onder informele productie
a)
Waar
b)
Niet waar
5.
Stelling 1: Statusgoederen zijn een onderdeel van secundaire goederen
Stelling 2: Secundaire goederen kun je ook wel beschrijven als luxegoederen
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Beide stellingen zijn onjuist
c)
Alleen stelling 1 is juist
d)
Alleen stelling 2 is juist
6.
De politie is een typisch voorbeeld van een collectief goed
a)
Waar
b)
Niet waar
7.
Wat valt niet onder kapitaalbezit
a)
Geldautomaten
b)
Vliegtuigen
c)
Boormachines
d)
Denkvermogen
8.
Wat zijn productiefactoren?
a)
Middelen die je nodig hebt om te produceren
b)
een machine die zoveel mogelijk produceert 
c)
arbeiders die werken en loon daarvoor krijgen
d)
zoveel mogelijk produceren in een korte tijd
9.
Waaruit bestaan de 4 productiefactoren?
a)
kapitaal, arbeid, natuur en ondernemerschap
b)
kapitaal, arbeid, loon en rente
c)
arbeid, loon, pacht en winst
d)
natuur, ondernemerschap, kapitaal en winst
10.
Ondernemerschap is het succesvol inzetten van de productiefactoren Arbeid, natuur en kapitaal
a)
Waar
b)
Niet waar
11.
Diensten vallen onder stoffelijke goederen
a)
Waar
b)
Niet waar