wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederlands vmbo H5.2 Lezen

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Als je verkennend leest dan ...

a)

lees je alsof je voor een toets leert.

b)

bekijk je de tekst en lees die niet echt.

c)

heb je een vraag en wil je snel het antwoord weten.

2.

Hoeveel manieren heb je om een tekst te lezen?

a)

3 namelijk: zoekend, lerend en verkennend lezen

b)

4 namelijk: zoekend, nauwkeurig, begrijpend en verkennend lezen

c)

4 namelijk: zoekend, nauwkeurig, studerend en verkennend lezen

d)

3 namelijk zoekend, nauwkeurig en verkennend lezen

3.

Wat is een moeilijke-woordenwijzer

a)

een woordenboek voor op school

b)

een stappenplan voor moeilijke woorden

4.

Waar staat de bron van een tekst?

a)

rechts bovenaan de pagina

b)

In de eerste alinea van de tekst

c)

bovenaan de pagina

d)

rechts onderaan de pagina

5.

Wat is een kernzin?

a)

de belangrijkste zin in de tekst

b)

de belangrijkste zin in een alinea

6.

Veel teksten bestaan uit een:

a)

inleiding, kern en slot

b)

begin, hoofdzaak en bijzaken

c)

begin en eind

d)

inleiding, onderwerp en alinea's

7.

Welke woorden zijn allemaal signaalwoorden?

a)

als eerste, als tweede, tenslotte

b)

maar, en, ook

c)

toch, ook, maar

8.

'De weerman vertelde dat het vandaag mooi weer zou worden, maar het regende pijpenstelen.'

Welk woord is een signaalwoord

a)

dat

b)

het

c)

maar

9.

'Het kind had hoge koorts. Bovendien had het een arm in het gips.'

Is dit een opsomming of een tegenstelling?

a)

opsomming

b)

tegenstelling

10.

Welke tekst is informeren het belangrijkste tekstdoel?

a)

krantenbericht over gezond leven

b)

reclametekst voor een neusspray

c)

schoolboektest over lichaamsverzorging

11.

Kernzinnen horen bij de hoofdzaken van de tekst

a)

niet waar

b)

waar

12.

Om een tekst te begrijpen, zijn bijzaken altijd nodig.

a)

niet waar

b)

waar

13.

De vragen zijn:

a)

makkelijk

b)

moeilijk

c)

valt mee

14.

Rood, wit en blauw zijn de kleuren van de Nederlandse vlag.


Is dit een feit of een mening?

a)

mening

b)

feit

15.

Hoe noem je een titel die in de tekst staat?

a)

titel

b)

deeltitel

c)

boventitel

d)

tussentitel