NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsWarmte en faseovergangen
Total questions: 24
Worksheet time: 17mins
Name
Class
Date
1.
Een vorm van energietransport zonder tussenkomst van materie
a)
geleiding
b)
stroming
c)
radiatie
2.
Een vorm van energietransport zonder merkbare verplaatsing van materie
a)
geleiding
b)
stroming
c)
radiatie
3.
Een vorm van energietransport met merkbare verplaatsing van materie
a)
geleiding
b)
stroming
c)
radiatie
4.
Drie blokjes uit verschillende materialen maar met dezelfde massa worden in een diepvries geplaatst. De hoeveelheid warmte die de diepvries per tijdseenheid aan de voorwerpen onttrekt is constant. De figuur toont het verloop van de temperatuur van de materialen in functie van de tijd. Rangschik de onderstaande materialen volgens stijgende stoltemperatuur
a)
1-2-3
b)
2-3-1
c)
3-2-1
d)
1-3-2
5.
Aan een stof wordt warmte toegevoegd. Het verloop van de temperatuur functie van de toegevoegde warmte is op de figuur weergegeven. Welk verband bestaat er tussen de specifieke warmtecapaciteit van de stof in vaste fase en de specifieke warmtecapacitiet van de stof in vloeibare fase?
a)
cvast = cvloeibaar
b)
2 cvast = cvloeibaar
c)
cvast = 2 cvloeibaar
d)
je kan hier geen uitspraak over doen
6.
Drie blokjes uit verschillende materialen maar met dezelfde massa worden in een diepvries geplaatst. De hoeveelheid warmte die de diepvries per tijdseenheid aan de voorwerpen onttrekt is constant. De figuur toont het verloop van de temperatuur van de materialen in functie van de tijd. Rangschik de stoffen volgens stijgende specifieke smeltwarmte
a)
1-2-3
b)
2-3-1
c)
3-2-1
d)
1-3-2
7.
Drie blokjes uit verschillende materialen maar met dezelfde massa worden in een diepvries geplaatst. De hoeveelheid warmte die de diepvries per tijdseenheid aan de voorwerpen onttrekt is constant. De figuur toont het verloop van de temperatuur van de materialen in functie van de tijd. Rangschik de stoffen volgens stijgende specifieke warmtecapaciteit van de vloeibare toestand
a)
1-2-3
b)
2-3-1
c)
3-2-1
d)
1-3-2
8.
Drie blokjes uit verschillende materialen maar met dezelfde massa worden in een diepvries geplaatst. De hoeveelheid warmte die de diepvries per tijdseenheid aan de voorwerpen onttrekt is constant. De figuur toont het verloop van de temperatuur van de materialen in functie van de tijd. Rangschik de stoffen volgens stijgende specifieke warmtecapaciteit van de vaste toestand
a)
1-2-3
b)
2-3-1
c)
3-2-1
d)
1-3-2
9.
Aan 100 g ijs op 0°C wordt 100 G kokend water toegevoegd. Welke grafiek beschrijft best de verloop van de temperatuur van het ijs en het water in functie van de tijd. De invloed van het vat mag je verwaarlozen
a)
grafiek A
b)
grafiek B
c)
grafiek C
d)
grafiek D
10.
Wie heeft gelijk
a)
Lindsey
b)
Bart
c)
Jonathan
d)
Ze hebben alle drie gelijk
11.
Een stof met een hoge specifieke warmtecapaciteit:
a)
is altijd zeer warm.
b)
heeft veel energie nodig om 'op te warmen'
c)
is licht
d)
heeft weinig energie nodig om op te warmen
12.
Thermische energie gaat steeds:
a)
van een voorwerp met een hoge temperatuur naar een voorwerp met een lage temperatuur
b)
van een voorwerp met een lage naar een hoge temperatuuur
c)
van een voorwerp met een lage naar een hoge kinetische energie
d)
van een voorwerp met een grote massa naar een voorwerp met een kleine massa
13.
Een kopje water van 40°C en een kopje water van 5°C staan op een tafel. Welke grafiek heeft correct het verloop van de temperatuur in functie van de tijd weer?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
14.
Door welke vorm van energietransport verbrand je als je in de zon loopt?
a)
geleiding
b)
straling
c)
stroming
15.
Wanneer thermische energie wordt toegevoegd aan een stof dan zullen de deeltjes van deze...
a)
sneller bewegen en op een grotere afstand van elkaar zitten
b)
sneller bewegen en dichter bij elkaar zitten
c)
trager bewegen en op een grotere afstand van elkaar zitten
d)
trager bewegen en op een kleinere afstand van elkaar zitten
16.
De specifieke smeltingswarmte van een stof is
a)
de warmte die nodig is om een stof te smelten
b)
de warmte die nodig is om 1kg van een stof om te zetten van vloeibare naar vaste toestand
c)
de warmte die nodig is om een stof om te zetten van vaste naar vloeibare toetstand
d)
de warmte die nodig is om 1 kg van een vaste stof om te zetten in 1 kg vloeistof
17.
Tijdens de faseovergang van water naar ijs zal
a)
zal de temperatuur dalen.
b)
zal er een volumevermeerdering optreden.
c)
zal er een volumevermindering optreden
d)
zal de kinetische energie van de moleculen dalen
18.
Twee blokken zijn gemaakt van hetzelfde materiaal maar hebben een verschillende massa. Beide blokken hebben dezelfde temperatuur. Welk blok bezit de hoogste inwendige energie?
a)
het grootste blok
b)
het kleinste blok
c)
beide blokken hebben dezelfde inwendige energie
d)
geen van beide blokken heeft inwendige energie
19.
Als je een ijsblokje in je drankje doet, wordt het koel omdat
a)
het smelten van het ijsblokje koude afgeeft aan het drankje
b)
het smelten van het ijsblokje warmte onttrekt aan het drankje
c)
het verdampen van het drankje afgeremd wordt door de koude die het
ijsblokje afgeeft.
20.
Welke factor bevordert de vrije verdamping niet?
a)
temperatuur
b)
grootte van het vrije vloeistofoppervlak
c)
hoge luchtvochtigheid
d)
luchtstroming boven de vloeistof
21.
Een lage temperatuur in een koelkast wordt verkregen door
a)
een gas te laten condenseren
b)
een gas vast te laten worden
c)
een vloeistof te laten stollen
d)
een vloeistof te laten verdampen
22.
Een beker met 500 ml olie en een beker met 500 ml water worden met twee identieke dompelkokers opgewarmd. Dan zal/zullen
a)
de olie en het water even snel opwarmen
b)
de olie sneller opwarmen dan het water omdat het een lagere soortelijke warmtecapaciteit heeft
c)
de olie trager opwarmen dan het water omdat het een lagere soortelijke warmtecapaciteit heeft
23.
Wie heeft er gelijk?
a)
Liv
b)
Johan
c)
Bram
24.
Welke vorm van warmtetransport wordt voorgesteld door elk nummer?
a)
1: geleiding
2: straling
3:stroming
2: straling
3:stroming
b)
1: geleiding
2: stroming
3:straling
2: stroming
3:straling
c)
1:stroming
2:geleiding
3:straling
2:geleiding
3:straling
d)
1:straling
2:stroming
3:geleiding
2:stroming
3:geleiding
Reset
