wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Proefexamen M2 begroten en budgetteren

Total questions: 71

Worksheet time: 3hrs 1mins

Name
Class
Date
1.
Bij welke kostensoort is "aanschaf van  papier" in de boekhouding te vinden?
a)
Administratiekosten
b)
Huisvestingkosten
c)
Inkoopkosten
d)
Promotiekosten
2.
Bij welke kostensoort is "betaling van elektriciteit" in de boekhouding te vinden?
a)
Administratiekosten
b)
Huisvestingkosten
c)
Inkoopkosten
d)
Promotiekosten
3.
Bij welke kostensoort is "opstellen van facturen" in de boekhouding te vinden?
a)
Administratiekosten
b)
Huisvestingkosten
c)
Inkoopkosten
d)
Promotiekosten
4.
Bij welke kostensoort is het plaatsen van een "reclame banner" in de boekhouding te vinden?
a)
Administratiekosten
b)
Huisvestingkosten
c)
Inkoopkosten
d)
Promotiekosten
5.
Bij welke kostensoort is "huur van een bestelbusje" in de boekhouding te vinden?
a)
Personeelskosten
b)
Promotiekosten
c)
Afschrijvingskosten
d)
Transportkosten
6.
Bij welke kostensoort is "inhuren van uitzendkrachten" in de boekhouding te vinden?
a)
Personeelskosten
b)
Promotiekosten
c)
Afschrijvingskosten
d)
Transportkosten
7.
Bij welke kostensoort is "reclame in een vakblad" in de boekhouding te vinden?
a)
Personeelskosten
b)
Promotiekosten
c)
Afschrijvingskosten
d)
Transportkosten
8.
Bij welke kostensoort is "waardevermindering van een vrachtwagen" in de boekhouding te vinden?
a)
Personeelskosten
b)
Promotiekosten
c)
Afschrijvingskosten
d)
Transportkosten
9.
‘Een budget is hulpmiddel bij het afstemmen van taken in een evenementenbureau.’ Welke budget-functie wordt hier beschreven?
a)
Beheersfunctie
b)
Controlefunctie
c)
Planningsfunctie
d)
Analysefuntie
10.
'Het aangeven van grenzen tot waar (financiële) verantwoordelijkheid van de budgethouder reikt.' Welke budget-functie wordt hier beschreven?
a)
Controlefunctie
b)
Allocatiefunctie
c)
Machtigingsfunctie
d)
Taakopdracht
11.
'Het geven van een bevoegdheid aan de budgethouder om financiële beslissingen te nemen.' Welke functie van een budget wordt hier beschreven?
a)
Controlefunctie
b)
Allocatiefunctie
c)
Machtigingsfunctie
d)
Taakopdracht
12.
'Het toedelen van de beschikbare middelen aan de diverse doelen.' Welke functie van een budget wordt hier beschreven?
a)
Controlefunctie
b)
Allocatiefunctie
c)
Machtigingsfunctie
d)
Taakopdracht
13.
'Het vergelijken van budgetcijfers en werkelijk behaalde resultaten.' Welke functie van een budget wordt hier beschreven?
a)
Controlefunctie
b)
Allocatiefunctie
c)
Machtigingsfunctie
d)
Taakopdracht
14.
Wat is het verschil tussen een gemengd en een variabel budget?
a)
Gemengd budget bepaal je vooraf op basis v/d werkelijke bezetting, variabel budget bepaal je achteraf.
b)
 Gemengd budget is een combinatie van een variabel budget en vast budget, een variabel budget is geen combinatie.
c)
Gemengd budget is hoger naarmate er meer geproduceerd wordt, hoogte van variabel budget is onafhankelijk v/d productie.
15.
Wat staat er in een liquiditeitsbegroting?
a)
 verwachte inkomsten en uitgaven in een periode
b)
verwachte omzet en kosten in een periode
c)
verwachte winst of verlies in een periode
d)
verwachte bezittingen en schulden in een periode
16.
Wat staat er in een exploitatiebegroting?
a)
verwachte inkomsten en uitgaven in een periode
b)
verwachte omzet en kosten in een periode
c)
verwachte afzet in een periode
d)
bezit en schulden op een bepaalde datum
17.
Wat staat er op een balans?
a)
 verwachte inkomsten en uitgaven in een periode
b)
verwachte omzet en kosten in een periode
c)
verwachte winst of verlies in een periode
d)
bezit, schuld en eigen vermogen op  een bepaalde datum
18.
Op welke begroting staan inkomsten en uitgaven?
a)
Beginbalans
b)
Financieringsbegroting
c)
Exploitatiebegroting
d)
Liquiditeitsbegroting
19.
Op welke begroting staan opbrengsten en kosten?
a)
Beginbalans
b)
Financieringsbegroting
c)
Exploitatiebegroting
d)
Liquiditeitsbegroting
20.
Op welke begroting staan bezittingen, schulden en eigen vermogen?
a)
Beginbalans
b)
Financieringsbegroting
c)
Exploitatiebegroting
d)
Liquiditeitsbegroting
21.
Zijn 'afschrijvingskosten van inventaris' vaste of variabele kosten?
a)
Vaste kosten
b)
Variabele kosten
22.
Zijn 'reiskosten van werknemers' vaste of variabele kosten?
a)
Vaste kosten
b)
Variabele kosten
23.
Zijn 'hypotheekkosten' vaste of variabele kosten?
a)
Vaste kosten
b)
Variabele kosten
24.
Zijn 'kosten voor advertenties in 
krant' vaste of variabele kosten?
a)
Vaste kosten
b)
Variabele kosten
25.
Zijn 'telefoonkosten' vaste of variabele kosten?
a)
Vaste kosten
b)
Variabele kosten
26.
Zijn 'reclamekosten' vaste of variabele kosten?
a)
Vaste kosten
b)
Variabele kosten
27.
Zijn 'papierkosten' vaste of variabele kosten?
a)
Vaste kosten
b)
Variabele kosten
28.
Zijn 'salarissen voor uitzendkrachten' vaste of variabele kosten?
a)
Vaste kosten
b)
Variabele kosten
29.
Zijn 'salarissen voor personeel met een jaarcontract' vaste of variabele kosten?
a)
Vaste kosten
b)
Variabele kosten
30.
Een bedrijf produceert verkoopt producten voor €480. De variabele kosten bedragen € 100 per stuk. Constante kosten zijn € 20.000 per maand. Er is een maandproductie begroot van 400 stuks. Wat is de integrale kostprijs?
a)
€380
b)
€50
c)
€150
d)
€100,25
31.
Kostprijs van een product is € 0,28. Winstopslag is 35 procent van de verkoopprijs.
a)
€0,28
b)
€0,10
c)
€0,38
d)
€0,43
32.
Constante kosten zijn €400.000. Verkoopprijs per stuk is €400. Variabele kostprijs is €100 per stuk. Wat is de dekkingsbijdrage?
a)
€400
b)
€300
c)
1.333,33
d)
1.334
33.
Constante kosten zijn €400.000. Verkoopprijs per stuk is €400. Variabele kostprijs is €100 per stuk. Wat is de break-even afzet?
a)
€400
b)
€300
c)
1.333,33
d)
1.334
34.
Constante kosten zijn €400.000. Verkoopprijs per stuk is €400. Variabele kostprijs is €100 per stuk. Wat is de break-even omzet?
a)
€400.200
b)
€533.600
c)
1.333,33
d)
1.334
35.
De winst is €125.541. De omzet is €360.000.
Wat is de winst in % van de verkoopprijs? 
a)
2,9%
b)
286,8%
c)
0,3%
d)
34,9%
36.
De winst is €100.000. De omzet is €500.000.
Wat is de return on sales? 
a)
€400.000
b)
€100.000
c)
500%
d)
20%
37.
Het geïnvesteerde bedrag is €100.000. De omzet(stijging) is €200.000.
Wat is de return on investment? 
a)
€100.000
b)
-€100.000
c)
100%
d)
200%
38.
Wat is een verschil tussen een resultatenrekening en een balans?
a)
Met de resultatenrekening kan winst bepaald worden,  
met de balans niet
b)
Met de resultatenrekening kan eigen vermogen bepaald worden,  
met de balans niet
c)
Met de resultatenrekening kan vreemd vermogen bepaald worden,  met de balans niet
d)
Op een resultatenrekening staan de passiva en activa, op een balans staan de kosten en opbrengsten.
39.
Bij welke balansposten hoort 'Crediteuren'?
a)
Vlottende activa
b)
Vaste activa
c)
Kort vreemd vermogen
d)
Lang vreemd vermogen
40.
Bij welke balansposten hoort 'Debiteuren'?
a)
Vlottende activa
b)
Vaste activa
c)
Kort vreemd vermogen
d)
Lang vreemd vermogen
41.
Bij welke balansposten hoort 'Hypothecaire lening'?
a)
Vlottende activa
b)
Vaste activa
c)
Kort vreemd vermogen
d)
Lang vreemd vermogen
42.
Bij welke balansposten hoort 'Inventaris'?
a)
Vlottende activa
b)
Vaste activa
c)
Kort vreemd vermogen
d)
Lang vreemd vermogen
43.
Bij welke balansposten hoort 'Bedrijfspand'?
a)
Vlottende activa
b)
Vaste activa
c)
Kort vreemd vermogen
d)
Lang vreemd vermogen
44.
Bij welke balansposten hoort 'Te betalen aan leverancier'?
a)
Vlottende activa
b)
Vaste activa
c)
Kort vreemd vermogen
d)
Lang vreemd vermogen
45.
Bij welke balansposten hoort 'Voorraad producten'?
a)
Vlottende activa
b)
Vaste activa
c)
Kort vreemd vermogen
d)
Lang vreemd vermogen
46.
Een bedrijf investeerde in 2015 €200.000
in 2015. In dat jaar was de omzet €400.000 en de winst was € 40.000
a)
10%
b)
20%
c)
50%
d)
200%
47.
‘De mate waarin een onderneming zijn direct opeisbare schulden kan betalen.’ Welk begrip wordt omschreven?
a)
Solvabiliteit
b)
Rentabiliteit
c)
Liquiditeit
d)
Geen van de overige antwoorden is juist.
48.
‘De verhouding tussen winst en vermogen.’ Welk begrip wordt omschreven?
a)
Solvabiliteit
b)
Rentabiliteit
c)
Liquiditeit
d)
Geen van de overige antwoorden is juist.
49.
‘De verhouding tussen eigen vermogen en totaal vermogen.’ Welk begrip wordt omschreven?
a)
Solvabiliteit
b)
Rentabiliteit
c)
Liquiditeit
d)
Geen van de overige antwoorden is juist.
50.
Het begrip 'winstgevendheid kan het beste worden omschreven als ...?
a)
Solvabiliteit
b)
Rentabiliteit
c)
Liquiditeit
d)
Geen van de overige antwoorden is juist.
51.
Wat staat er in een exploitatiebegroting?
a)
verwachte afzet in komende periode
b)
verwacht bezit/schuld/eigen vermogen op een bepaalde komende datum
c)
verwachte inkomsten / uitgaven in komende periode
d)
verwachte opbrengsten en kosten in  komende periode
52.
‘Inzicht geven in de verwachte inkomsten en uitgaven in de komende periode.‘  Bij welke begroting hoort dit doel?
a)
Balans
b)
Exploitatiebegroting
c)
Liquiditeitsbegroting
d)
Financieringsbegroting
53.
Wat is een verschil tussen uitgaven en kosten?
a)
Uitgaven worden in boekhouding opgenomen, kosten niet.
b)
Kosten hoeven geen uitgaven te zijn, uitgaven zijn wel kosten.
c)
Uitgaven zijn niet door betalingen veroorzaakt, kosten wel.
d)
Uitgaven zet je vooraf in de boekhouding, kosten achteraf.
54.
Wat is een verschil tussen uitgaven en kosten?
a)
Uitgaven worden in boekhouding opgenomen, kosten niet.
b)
Kosten zijn altijd uitgaven, uitgaven zijn niet altijd kosten.
c)
Uitgaven zijn niet door betalingen veroorzaakt, kosten wel.
d)
Kosten worden door aankopen veroorzaakt, uitgaven door betalingen.
55.
Op welke begroting staan inkomsten?
a)
Balans
b)
Exploitatiebegroting
c)
Liquiditeitsbegroting
d)
Investeringsbegroting
56.
Op welke begroting staan bezittingen?
a)
Balans
b)
Exploitatiebegroting
c)
Liquiditeitsbegroting
d)
Financieringsbegroting
57.
Op welke begroting staan kosten?
a)
Balans
b)
Exploitatiebegroting
c)
Liquiditeitsbegroting
d)
Investeringsbegroting
58.
Op welke begroting staan opbrengsten?
a)
Balans
b)
Exploitatiebegroting
c)
Liquiditeitsbegroting
d)
Investeringsbegroting
59.
Omzet is €100.000. Verkoopprijs per stuk is €100, Wat is de afzet?
a)
€100.000
b)
€100
c)
1.000
d)
10.000.000
60.
De formule voor dekkingsbijdrage is:
a)
(C : N) + (V : W)
b)
(C : W) + (V : N)
c)
Verkoopprijs per stuk - variabele kosten per stuk
d)
(vaste kosten : afzet) + variabele kosten per stuk
61.
De formule voor break-even omzet:
a)
(C : N) + (V : W)
b)
break-even afzet x verkoopprijs per stuk
c)
Verkoopprijs per stuk - variabele kosten per stuk
d)
Constante kosten : dekkingsbijdrage per stuk
62.
De formule voor break-even afzet:
a)
(C : N) + (V : W)
b)
break-even afzet x verkoopprijs per stuk
c)
Verkoopprijs per stuk - variabele kosten per stuk
d)
Constante kosten : dekkingsbijdrage per stuk
63.
De formule voor de return on sales is:
a)
(winst : behaalde omzet) x 100
b)
break-even afzet x verkoopprijs
c)
vaste kosten : afzet + variabele kostprijs
d)
winst : geïnvesteerd bedrag x 100
64.
De formule voor de return on investment is:
a)
winst : behaalde omzet x 100
b)
break-even afzet x verkoopprijs
c)
vaste kosten : afzet + variabele kostprijs
d)
winst : geïnvesteerd bedrag x 100
65.
De formule voor de kostprijs op basis van de kostprijsplusmethode is:
a)
(C:V) + (V:N)
b)
break-even afzet x verkoopprijs
c)
vaste kosten : afzet + variabele kostprijs
66.
Constante kosten: €5.000 Normale productie: 20.000. Variabele kosten per stuk: €1,50. Wat is de kostprijs? 
a)
€1,50
b)
€1,75
c)
€2
d)
€3
67.
Variabele kosten: €30.000 Werkelijke productie: 3.000. Constante kosten per stuk: €1 Wat is de kostprijs? 
a)
€11
b)
€21
c)
€31
d)
€41
68.
Variabele kostprijs: €4 p/stuk. Vaste kosten: €800. Normale afzet 40 stuks. Winst 30% kostprijs. Wat is de verkoopprijs?
a)
Verkoopprijs = €24
b)
Verkoopprijs = €31,20
c)
Verkoopprijs = €34,29
d)
Verkoopprijs = €45,73
69.
Constante kosten: €16.000, Verkoopprijs: €12. Variabele kosten per stuk: €4. Wat is de break-evenomzet?
a)
€2.000
b)
2.000
c)
€24.000 
d)
24.000
70.
Bedrijf investeert €40.000 en behaalt een eenmalige omzetstijging van €50.000. De Return on Investment is:
a)
125%
b)
25%
c)
€50.000
d)
€10.000
71.
Variabele kostprijs: €5 p/s, Vaste kosten: €1.000. Normale afzet: 50. Winst 50% verkoopprijs
a)
Verkoopprijs = €2
b)
Verkoopprijs = €50
c)
Verkoopprijs = €20
d)
Verkoopprijs =  €37,50