wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal actief taal thema 3 groep 6

Total questions: 71

Worksheet time: 54mins

Name
Class
Date
1.

Welk woord past op de lege plek?

Je vriendinnetje heeft een nieuw model spijkerboek aan. Je zegt: 'Die is ...

a)

beeldig

b)

hip

c)

duf

d)

stoer

2.

Welk woord past op de lege plek?

Je vader heeft alweer hetzelfde overhemd aan. Je zegt: 'Dat staat ...

a)

beeldig

b)

hip

c)

duf

d)

stoer

3.

Welk woord past op de lege plek?

Je buurmeisje heeft een roze jurkje aan. Je zegt: 'Dat staat

a)

beeldig

b)

hip

c)

stoer

d)

duf

4.

Welk woord past op de lege plek?

Je vriend heeft een nieuwe trui aan. Je zegt: 'Die is..

a)

stoer

b)

hip

c)

duf

d)

beeldig

5.

Welk woord past op de lege plek?

Wesley vindt Pieter niet zo goed in sport, hij heeft ... van Pieter.

a)

geen hoge pet op

b)

op grond van

c)

smeert .. stroop om de mond

d)

kirt

6.

Welk woord past op de lege plek?

Noud ... Hidde ... als hij zegt: 'Wat ben jij lenig. Wil je mijn bal van het dak halen?

a)

smeert .. stroop om de mond

b)

slaagt er ... in

c)

waaronder

d)

op grond van

7.

Welk woord past op de lege plek?

De juf heeft ... haar ervaring meteen door wie er ruzie hebben.

a)

op grond van

b)

overstuur

c)

kirt

d)

geen hoge pet op

8.

Welk woord past op de lege plek?

Sofia ... na veel moeite ... om in de boom te klimmen.

a)

kirt

b)

slaagt er ... in

c)

waaronder

d)

geen hoge pet op

9.

Welk woord past op de lege plek?

Amber heeft drie paar schoenen.. een paar sandalen.

a)

kirt

b)

waaronder

c)

overstuur

d)

op grond van

10.

Welk woord past op de lege plek?

Isabelle ... tegen de lachende baby.

a)

kirt

b)

overstuur

c)

waaronder

d)

op grond van

11.

Welk woord past op de lege plek?

Toen Pep bij de gym uit het wandrek viel, was hij ..

a)

overstuur

b)

geen hoge pet op

c)

kirt

d)

smeert.. stroop om de mond

12.

Schrijf de woorden op die een samenstelling vormen.

(woord-woord)

Mijn grote zus staat al een uur voor haar klerenkast.

(a)  

13.

Schrijf de woorden op die een samenstelling vormen.

(woord-woord)

Voor het schoolfeest wil ze mooie kleren dragen.

(a)  

14.

Schrijf de woorden op die een samenstelling vormen.

(woord-woord)

Ze heeft haar bontlaarsjes en jurk al aan.

(a)  

15.

Schrijf de woorden op die een samenstelling vormen.

(woord-woord)

Je lijkt wel een model uit een modeblad.

(a)  

16.

Schrijf de woorden op die een samenstelling vormen.

(woord-woord)

Alleen het prijskaartje aan je jurk staat een beetje gek.

(a)  

17.

Schrijf de woorden op die een samenstelling vormen.

(woord-woord)

Het is uitverkoop bij de Zara in de stad.

(a)  

18.

Zet het werkwoord in de verleden tijd.

Mama schuift het gordijn van het pashokje opzij.

(a)  

19.

Zet het werkwoord in de verleden tijd.

In de spijkerbroek zitten allerlei scheuren.

(a)  

20.

Zet het werkwoord in de verleden tijd.

Beau trekt aan mama's hand en vraagt om een ijsje.

(a)  

21.

Schrijf het hele werkwoord op in de tegenwoordige tijd.

De jongen riep zijn vrienden.

(a)  

22.

Schrijf het hele werkwoord op in de tegenwoordige tijd.

Het meisje klom hoog in de lantaarnpaal.

(a)  

23.

Schrijf het hele werkwoord op in de tegenwoordige tijd.

De jongen at een appel én een peer.

(a)  

24.

Schrijf het hele werkwoord op in de tegenwoordige tijd.

De baby kroop over de grond.

(a)  

25.

Schrijf het hele werkwoord op in de tegenwoordige tijd.

Het meisje viel haar maillot kapot.

(a)  

26.

Schrijf het hele werkwoord op in de tegenwoordige tijd.

De kinderen zwommen onder water.

(a)  

27.

Zet het werkwoord in de verleden tijd.

Ik loop graag door de winkelstraat.

(a)  

28.

Zet het werkwoord in de verleden tijd.

Sophie houdt erg van winkelen.

(a)  

29.

Zet het werkwoord in de verleden tijd.

Leah en Sela bezoeken vooral winkels met betaalbare kleding.

(a)  

30.

Zet het werkwoord in de verleden tijd.

Lev trekt zoveel mogelijk verschillende kleding aan.

(a)  

31.

Zet het werkwoord in de verleden tijd.

Ze bekijkt zichzelf uitgebreid in de spiegel.

(a)  

32.

Zet het werkwoord in de verleden tijd.

Claire heeft maar geld voor twee kledingstukken.

(a)  

33.

Welk woord past op de lege plek?

Wat vind je van deze rok? Gekocht voor een bijzondere ...

a)

de commercie

b)

gelegenheid

c)

modieus

d)

tweedehands

34.

Welk woord past op de lege plek?

Mijn kleding is niet nieuw, ik koop alles...

a)

op de mouw gespeld

b)

tweedehands

c)

modieus

d)

rolmodel

35.

Welk woord past op de lege plek?

Ik heb mijn eigen stijl, ik houd niet zo van ..

a)

modieus

b)

rolmodel

c)

gelegenheid

d)

meelopen

36.

Welk woord past op de lege plek?

Mijn beste vriend is juist heel...

Hij draagt altijd de laatste mode.

a)

op de mouw gespeld

b)

modieus

c)

tweedehands

d)

zet.. tegen af

37.

Welk woord past op de lege plek?

De jongens op de modefoto's zijn voor hem een ..

a)

rolmodel

b)

de commercie

c)

op de mouw gespeld

d)

meelopen

38.

Welk woord past op de lege plek?

Ik ben van mening dat de mode wordt bedacht door ...

a)

de commercie

b)

rolmodel

c)

zet.. tegen af

d)

op de mouw gespeld

39.

Welk woord past op de lege plek?

In de reclame word je iets..

a)

op de mouw gespeld

b)

de commercie

c)

zet.. tegen af

d)

de gelegenheid

40.

Welk woord past op de lege plek?

Daar.. ik mij..

Wat vind jij eigenlijk van mode?

a)

zet .. tegen af

b)

de gelegenheid

c)

op de mouw gespeld

d)

rolmodel

41.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Het regent al dagen.

(a)  

42.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Wesley zit met zijn vriend Milan op het muurtje.

(a)  

43.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Wiebe lacht altijd om Lev.

(a)  

44.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Noud doet erg zijn best op school.

(a)  

45.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Thijs gaat vanmiddag bij Pep spelen.

(a)  

46.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Meike en Amber gaan morgen samen naar de bios.

(a)  

47.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Sofia en Robbi doen het spel: steen, papier, schaar.

(a)  

48.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Tess en Hidde werken samen aan de opdracht van taal.

(a)  

49.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Madee en Sela zitten samen in het park.

(a)  

50.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Aniek probeert Felipe te tikken bij het spel tikkertje.

(a)  

51.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Isabelle en Boris werken samen aan aanpak 4

(a)  

52.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Iris en Alba vertellen elkaar een geheim.

(a)  

53.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Claire legt Sophie iets uit.

(a)  

54.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Beau wilt graag dat Lev om hem lacht.

(a)  

55.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Pim was 23 januari jarig.

(a)  

56.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Liz rekent hele moeilijke sommen uit.

(a)  

57.

wat betekent de zin letterlijk?

De oude man is stinkend rijk.

a)

De oude man is rijk en stinkt

b)

de oude man is heel rijk

58.

wat betekent de zin letterlijk?

Je vist achter het net, want ik heb alle ijsjes al uitgedeeld.

a)

Je vist op de verkeerde plaats.

b)

Je bent te laat.

59.

wat betekent de zin letterlijk?

Deze test is voor mij een fluitje van een cent.

a)

het fluitje kost een cent

b)

dit is heel makkelijk voor mij

60.

letterlijk of figuurlijk?

Desiree voert altijd het hoogste woord.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

61.

letterlijk of figuurlijk?

In onze tuin staat de hoogste boom van de buurt.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

62.

letterlijk of figuurlijk?

Tussen de bladeren van de boom zie je een kattenkop.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

63.

letterlijk of figuurlijk?

Ik vind Persara een kattenkop.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

64.

letterlijk of figuurlijk?

Ze haalt het bloed onder mijn nagels vandaan.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

65.

letterlijk of figuurlijk?

Het bloed van een duif zit onder de nagels van de kat.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

66.

Welke zin past bij het warenhuis?

a)

Er is alleen herenkleding te koop.

b)

Hier kun je tweedehandskleding kopen.

c)

Je kunt er allerlei spullen kopen, zoals kleding.

67.

'Nu in ons warenhuis: modieuze kleding...'

wat betekent modieus?

a)

door een modeontwerper gemaakt

b)

in een modeblad aanwezig

c)

volgens de laatste mode

68.

Modieuze kleding voor een betaalbare prijs.

Wat betekent betaalbaar?

a)

het is duur

b)

het is niet te betalen

c)

het is niet zo duur

d)

je moet bij de kassa betalen

69.

Ik zoek een bijbehorende riem.

Hoe kun je deze zin anders zeggen?

a)

Ik zoek een riem die eraan vastzit.

b)

Ik zoek een riem die erbij past.

c)

Ik zoek een riem die heel anders is.

70.

Ik heb een voorkeur voor zwarte sokken.

Hoe kun je deze zin anders zeggen?

a)

Ik geef weinig om zwarte sokken.

b)

Ik heb tweedehands zwarte sokken.

c)

Ik trek soms zwarte sokken aan.

d)

Ik wil het liefst zwarte sokken aan.

71.

Ik vind dat Rogier niet zo goed is in tennis.

Welke uitdrukking hoort hierbij?

a)

ergens niet van gediend zijn.

b)

geen blad voor de mond hebben.

c)

geen hoge pet van iemand ophebben

d)

voor spek en bonen meedoen

Similar Resources on Wayground