wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal op Maat blok 13/14 oefenen

Total questions: 20

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.
Welke van de volgende woorden is een lidwoord?
a)
de
b)
deze
c)
die
d)
dat
2.
Wat is het onderwerp in deze zin?
Vandaag gaan de kinderen uit groep 6 naar de dierentuin.
a)
Vandaag
b)
de kinderen uit groep 6
c)
de dierentuin
d)
gaan
3.
Als ik in de spits rijd. Wat betekent dat dan?
a)
Dat ik op mijn tenen loop.
b)
Dan zijn er heel veel mensen tegelijk op de weg.
c)
Dan is het lekker rustig om te rijden.
4.
Wat betekent het woon-werkverkeer?
a)
De reis die je maakt van je huis naar je werk.
b)
De reis die je maakt van je werk naar je huis. </p>
c)
De reis die je maakt van je huis naar je werk en omgekeerd.
d)
De reis die je maakt naar je eigen planeet.
5.
Wat doet een redacteur?
a)
Die controleert of schrijft teksten die in de krant komen.
b)
De maakt de foto's voor een krant.
c)
Die interviewt mensen voor de krant.
d)
Die leest het nieuws voor.
6.
Wat betekent voorlichting?
a)
Als je iemand een pootje licht.
b)
Het verkeerslicht waarvoor je staat.
c)
Als er informatie over een onderwerp wordt gegeven.
d)
Dat is het aantal kranten dat wordt verkocht.
7.
"graven" is een...........
a)
naamwoord
b)
werkwoord
c)
telwoord
d)
aanwijswoord
8.
"de" is een
a)
naamwoord
b)
werkwoord
c)
lidwoord
d)
aanwijswoord
9.
"graafmachine" is een......
a)
naamwoord
b)
werkwoord
c)
telwoord
d)
aanwijswoord
10.
"die" is een........
a)
naamwoord
b)
werkwoord
c)
lidwoord
d)
aanwijswoord
11.
"ben" is een..........
a)
naamwoord
b)
werkwoord
c)
telwoord
d)
aanwijswoord
12.
Welke woord is een "woord + woord= woord" woord?
a)
boosheid
b)
prachtig
c)
garagedeur
d)
werkloos
13.
Welke woord is een "woord + woord= woord" woord?
a)
strengheid
b)
woonachtig
c)
zoutloos
d)
hoofdpijn
14.
Welke woord is een "woord + woorddeel= woord" woord?
a)
woonachtig
b)
tafelpoot
c)
treinmachinist
d)
tabletoplader
15.
Welke woord is een "woord + woorddeel= woord" woord?
a)
gitaarsolo
b)
muurkrant
c)
zwemdiploma
d)
pijnloos
16.
Waarvoor is een strip in een krant?
a)
Om je te overtuigen.
b)
Om je te vermaken.
c)
Om je te informeren.
17.
Waarvoor is een advertentie?
a)
Om je te vermaken.
b)
Om je te overtuigen.
c)
Om je te informeren.
18.
Wat is het onderwerp in de volgende zin:
Het is vandaag een mooie dag.
a)
een mooie dag
b)
vandaag
c)
het
d)
is
19.
Wat is het onderwerp in de volgende zin:
Waarom zijn alle kinderen altijd zo lief?
a)
waarom
b)
alle kinderen
c)
lief
d)
zijn
20.
Wat is de persoonsvorm in de volgende zin:
De meesters en juffen zitten te genieten van een lekker ijsje.
a)
de meesters en juffen
b)
een lekker ijsje
c)
zitten
d)
te genieten