wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1KGT H1.5 woordenlijst

Total questions: 15

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

aanleg hebben voor

a)

talent hebben voor

b)

de aandacht hebben voor

c)

ergens opvallend goed in zijn

d)

er zin in hebben en het belangrijk vinden

2.

bescheiden

a)

als je je klein of onbelangrijk maakt of voelt

b)

meer dan gewoon, bijzonder

c)

Met een sterk verlangen

d)

met gevoel voor andere mensen

3.

buitengewoon

a)

meer dan gewoon, bijzonder

b)

zonder andere mensen

c)

ergens opvallend goed in zijn

d)

wat er om je heen is, de streek

4.

de concentratie

a)

fanatiek

b)

spanning

c)

aandacht op één ding

d)

ergens opvallend goed in zijn

5.

het ezelsbruggetje

a)

speciale brug voor ezeltjes

b)

hulpmiddel om iets te onthouden

c)

talent hebben voor

d)

bedenken, het je voorstellen

6.

gedreven

a)

fanatiek

b)

er zin in hebben en het belangrijk vinden

c)

de moeite, de kracht die nodig is

d)

talent hebben voor

7.

gemotiveerd

a)

fanatiek

b)

verveeld zijn

c)

niet theoretisch, wat je doet

d)

er zin in hebben en het belangrijk vinden

8.

individueel

a)

zonder andere mensen, in je eentje

b)

samen met andere mensen

c)

het verder zijn dan een ander

d)

meer dan gewoon, bijzonder

9.

kritisch

a)

fanatiek

b)

snel tevreden zijn

c)

als je je klein of onbelangrijk maakt of voelt

d)

niet zomaar alles geloven, niet snel tevreden zijn

10.

sociaal

a)

met gevoel voor andere mensen

b)

zonder andere mensen, in je eentje

c)

andere mensen stom vinden

d)

wat er om je heen is, de streek

11.

ontwikkelen

a)

iets voor elkaar krijgen door inspanning

b)

het verder zijn dan een ander

c)

dingen erbij leren, ergens beter in worden

d)

verschillen

12.

uitblinken in

a)

talent hebben voor

b)

iets laten glimmen

c)

fanatiek

d)

ergens opvallend goed in zijn

13.

variëren

a)

verschillen

b)

hetzelfde

c)

dingen erbij leren. ergens beter in worden

d)

iets voor elkaar krijgen door inspanning

14.

combineren

a)

de manier waarop je tekent, danst, zingt, enzovoort

b)

bedenken, het je voorstellen

c)

losse dingen bij elkaar brengen, samenvoegen

d)

scheiden

15.

de inspanning

a)

aandacht op één ding

b)

de manier waarop je staat of zit

c)

de moeite, de kracht die nodig is

d)

het verder zijn dan een ander