wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Staal groep 4 hoofdletters

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


het is vandaag mooi lente weer, zegt juf sylvia.

a)

vandaag

b)

het

c)

lente

d)

sylvia

2.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


en dus gaat juf karin wandelen met haar grote witte hond.

a)

juf

b)

karin

c)

en

d)

hond

3.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


james en noah gaan voetballen op het grasveldje.

a)

grasveldje

b)

noah

c)

voetballen

d)

james

4.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


buiten komen zij ook jules tegen.

a)

komen

b)

buiten

c)

tegen

d)

jules

5.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


op het veldje ziet finne nog veel meer kinderen.

a)

op

b)

finne

c)

veldje

d)

kinderen

6.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


alma en romy maken een ketting van bloemen.

a)

bloemen

b)

alma

c)

romy

d)

maken

7.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


lauren maakt een radslag en saar doet haar na.

a)

radslag

b)

saar

c)

doet

d)

lauren

8.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


anna leunt tegen een boom met dana en lezen samen.

a)

anna

b)

boom

c)

lezen

d)

dana

9.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


mats en tom komen ook richting het veldje

a)

mats

b)

tom

c)

ook

d)

veldje

10.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


wout is met ben al druk aan het zoeken naar chocolade eieren.

a)

wout

b)

chocolade

c)

eieren

d)

ben

11.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


natuurlijk helpt xavier graag een handje mee.

a)

handje

b)

natuurlijk

c)

helpt

d)

xavier

12.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


boy en raphael hebben de eerste eieren zelfs al gevonden.

a)

boy

b)

eieren

c)

gevonden

d)

raphael

13.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


ook eva heeft er al snel een paar gevonden.

a)

ook

b)

eva

c)

snel

d)

gevonden

14.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


gauw geeft lianne haar het mandje aan.

a)

mandje

b)

lianne

c)

geeft

d)

gauw

15.

Welke woorden moeten met een hoofdletter in de zin;


juf sandra staat er met een glimlach tevreden naar te kijken.

a)

juf

b)

sandra

c)

glimlach

d)

kijken