Worksheets1KGT Hoofdstuk 1
Total questions: 20
Worksheet time: 10mins
Name
Class
Date
1.
Hoe lees je oriënterend?
a)
Ik bekijk de tekst en ik lees de eerste alinea
b)
Ik kijk naar de titel en de illustraties
c)
Ik lees alleen wat ik nodig heb
d)
Ik lees de eerste en laatste zin van alle alinea's
2.
Wat is het onderwerp van een tekst?
a)
In één volledige zin waar de tekst over gaat.
b)
In één of enkele woorden waar de tekst over gaat.
c)
De titel van de tekst.
d)
De kernzin uit de inleiding.
3.
Wat is een tussenkopje?
a)
De titel van een alinea.
b)
De witregel tussen twee alinea's in.
c)
Het deelonderwerp van een alinea.
d)
Het kernwoord van een alinea.
4.
Wat zijn synoniemen?
a)
Twee woorden die je anders schrijft maar hetzelfde betekenen.
b)
Twee woorden die je hetzelfde schrijft en hetzelfde betekenen.
c)
Twee woorden die je anders schrijft en iets anders betekenen.
5.
Zoek de twee synoniemen!
a)
fles en glas.
b)
rondje en cirkel.
c)
bank en bank.
d)
fiets en eenwieler.
6.
Wat betekent globaal?
a)
meestal
b)
hoofdzakelijk
c)
in grote lijnen
d)
vooral
7.
Wat betekent 'steekt er met kop en schouders boven uit'?
a)
Iemand is langer
b)
Blinkt uit tussen
c)
Kijken wat er aan de hand is
d)
De moed verliezen
8.
Zoek de pv: Volgende week ga ik met mijn vriendin naar de bios.
a)
ga
b)
ik
c)
mijn vriendin
d)
week
9.
Zoek de pv: Bij biologie zitten we op de eerste rij.
a)
we
b)
biologie
c)
zitten
d)
rij
10.
Wat is waar?
a)
Een zinsdeel bestaat altijd uit één woord.
b)
Een zinsdeel bestaat altijd uit minstens twee woorden.
c)
Een zinsdeel kan uit één of meerdere woorden bestaan.
11.
Wat is waar?
a)
Voor de persoonsvorm staat nooit meer dan één zinsdeel.
b)
Voor de persoonsvorm kunnen meerdere zinsdelen staan.
12.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin?Pak de dobbelsteen en gooi.
a)
pak
b)
de
c)
dobbelsteen
d)
gooi
13.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin?Wil je nog een drankje?
a)
wil
b)
je
c)
nog
d)
drankje
14.
Welke woorden zijn zelfstandige naamwoorden in deze zin?
Op de drukke kruising toetert een auto.
Op de drukke kruising toetert een auto.
a)
toetert, auto
b)
kruising, auto
15.
Welke lidwoorden zijn er?
a)
die, het, een
b)
de, het
c)
die, dat, deze
d)
de, het, een
16.
Welke woorden moeten een hoofdletter krijgen?
a)
krokus, rood, computer
b)
eiffeltoren, linda, china, dorpsstraat
c)
feest, zomer, juni
d)
maart, donderdag, provincie
17.
Welke is goed gespeld?
a)
stiekem
b)
stiekum
18.
Welke is goed gespeld?
a)
barbeque
b)
barbecue
19.
Welke is goed gespeld?
a)
interessant
b)
intressant
20.
Welke is goed gespeld?
a)
ideale
b)
idiale
100 %
