NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsGrammatica
Total questions: 15
Worksheet time: 6mins
Name
Class
Date
1.
Welke vraag moet je stellen om het lijdend voorwerp te vinden?
a)
Wie of wat + pv + onderwerp?
b)
Wie of wat + pv?
c)
Wie of wat + pv + onderwerp + gezegde?
d)
Wie of wat + onderwerp?
2.

Tot welke woordsoort behoort het woord "appeltaart"
a)
voegwoord
b)
lidwoord
c)
zelfstandig naamwoord
d)
voorzetsel
3.

Wat is "Feyenoord" in de zin:Na de zege stond Feyenoord weer bovenaan de ranglijst.
a)
Persoonsvorm
b)
De beste voetbalclub van Nederland.
c)
Onderwerp
d)
Bijwoordelijke bepaling van plaats.
4.
Hoe vind je de persoonsvorm in een zin?
a)
Zin vragend maken, pv komt vooraan.
b)
Zin in een andere tijd zetten,pv verandert mee.
c)
Zin in enkelvoud of meervoud zetten, pv verandert mee.
d)
alle opties
5.
Tot welke woordsoort behoort het woord "fietsen"
a)
werkwoord
b)
bijvoeglijk naamwoord
c)
zelfstandig naamwoord
d)
werkwoord + zelfstandig naamwoord
6.
Wat is het meewerkend voorwerp in de zin: Elke dag geef ik mijn hond de lekkerste brokjes.
a)
ik
b)
mijn hond
c)
de lekkerste brokjes
d)
er is geen meewerkend voorwerp
7.
Wat is het lijdend voorwerp in de zin:Mandy gaat elke vakantie naar het pretpark.
a)
Mandy
b)
elke vakantie
c)
naar het pretpark
d)
er is geen lijdend voorwerp
8.
Wat is het onderwerp in de zin: Iedere vrijdag werkt Lars bij de Jumbo.
a)
Iedere vrijdag
b)
werkt
c)
Lars
d)
bij de Jumbo
9.
Wat is "Xenos" in de zin:Xenos was erg blij met de hulp van Rayjesley.
a)
persoonsvorm
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
bijwoordelijke bepaling (van plaats)
10.
Tot welke woordsoort behoort het woord "marathon"?
a)
bijvoeglijk naamwoord
b)
werkwoord
c)
zelfstandig naamwoord
d)
persoonlijk voornaamwoord
11.
Wat is "energieke" in de zin:Brandon is een energieke jongen.
a)
lidwoord
b)
persoonlijk voornaamwoord
c)
bijvoeglijk naamwoord
d)
zelfstandig naamwoord
12.
Wat zijn voorbeelden van voorzetsels?
a)
de, het, een
b)
mooie, kleine, dure, grote
c)
mijn, jouw, zijn, haar
d)
op, in, achter, tegen, tussen
13.
Een bijwoordelijke bepaling vind je door te vragen:
a)
Wie/Wat + onderwerp?
b)
Alles wat je overhoudt na ontleden
c)
Wie/Wat + gezegde + onderwerp?
d)
Wie/Wat + persoonsvorm?
14.
Wat is "twee" in de zin: De twee oude mannen waren zeer kritisch.
a)
bijvoeglijk naamwoord
b)
telwoord
c)
persoonlijk voornaamwoord
d)
aanwijzend voornaamwoord
15.
Wat is het gezegde in de zin:
Voor het goede doel moeten wij 24 uur dansen.
a)
24 uur
b)
wij
c)
moeten
d)
moeten, dansen
Reset
