NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsExterne verslaggeving
Total questions: 25
Worksheet time: 1hrs 13mins
Name
Class
Date
1.
Met betrekking tot boekjaren die beginnen op of na 1 januari 2016 zijn een aantal wijzigingen van kracht waaronder de werkwijze van goodwill
Stelling I: Goodwill dient te worden geactiveerd en afgeschreven
Stelling II: Goodwill loopt via het vermogen
Stelling I: Goodwill dient te worden geactiveerd en afgeschreven
Stelling II: Goodwill loopt via het vermogen
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
2.
Met betrekking tot boekjaren die beginnen op of na 1 januari 2016 zijn een aantal wijzigingen van kracht. Welke wijziging is onjuist?
a)
Afschrijvingen IVA in maximaal 10 jaar
b)
Deponering na 12 maanden in plaats van 13 maanden
c)
Gegevens van de vennootschap opnemen
d)
De actuele kostprijs is niet meer toegestaan
3.
De omvang criteria zijn met ingang van boekjaren op of na 1 januari 2016 gewijzigd. Om een jaarrekening als micro entiteit op te stellen en te deponeren gelden criteria, welke is juist?
a)
Balanstotaal is maximaal 400.000, omzet maximaal 700.00, gemiddeld minder dan 10 werknemers. Dit is het eerste jaar dat aan deze criteria wordt voldaan
b)
Balanstotaal is maximaal 350.000, omzet maximaal 700.000, gemiddeld minder dan 10 werknemers. Dit is het tweede jaar dat aan deze criteria wordt voldaan
c)
Balanstotaal is maximaal 350.000, omzet maximaal 600.000, gemiddeld minder dan 10 werknemers. Dit is het tweede jaar dat aan deze criteria wordt voldaan
d)
Balanstotaal is maximaal 350.000, omzet maximaal 700.000, gemiddeld minder dan 10 werknemers. Dit is het eerste jaar dat aan deze criteria wordt voldaan
4.
Er gelden voorschriften die gelden voor de jaarrekening van een micro-entiteit. Welke van de onderstaande voorschriften is onjuist?
a)
Geen overlopende posten
b)
Actuele kostprijs toegestaan
c)
Verkorte balans en P&L
d)
Eventuele toelichting onder de balans
5.
Welke post wordt niet verantwoord op de balans van een micro-entiteit?
a)
Onderscheid vast en vlottend
b)
Eigen vermogen
c)
Voorzieningen
d)
Onderscheid langlopende en kortlopende schulden
6.
Welke van onderstaande stellingen met betrekking tot micro-entiteiten is onjuist?
a)
Toelichting en waarderingsgrondslagen kunnen achterwege worden gelaten
b)
Volgens de wet dienen van belang zijnde toelichting direct onder de balans te worden opgenomen
c)
COS 4410 is van toepassing op onze werkzaamheden
d)
Wij publiceren alleen de beperkte balans
7.
De deponeringsplicht is voor boekjaren die beginnen op of na 1 januari 2016 aangepast. Welke stelling is juist?
a)
De jaarrekening van een DGA die geen bestuurder is van de BV dient maximaal 8 november te worden gedeponeerd
b)
De jaarrekening van een BV dient 31 december te worden gepubliceerd
c)
De jaarrekening van een BV dient 31 januari te worden gepubliceerd
d)
De jaarrekening van een DGA die tevens bestuurder is van de BV dient maximaal 8 november te worden gedeponeerd
8.
Met betrekking tot boekjaren die beginnen op of na 1 januari 2016 zijn een aantal wijziging van kracht waaronder die voor middelgroot. Welke wijziging is onjuist?
a)
De winstbestemming in de toelichting opnemen
b)
Overige gegevens zijn vervallen
c)
Jaarverslag heet voortaan bestuursverslag
d)
Accountants honorarium behoeft niet meer aan de AFM verstrekt te worden
9.
Welke stelling ten aanzien van de waarderingsgrondslag van MVA is onjuist?
a)
De actuele kostprijs vervangt de vervangingswaarde
b)
Bij de keuze voor actuele waarde dient de laagste te worden genomen van de realiseerbare waarde en de actuele kostprijs
c)
De marktwaarde is geen vorm meer van de actuele waarde
d)
Er is een keuze tussen kostprijs en actuele waarde
10.
De aanschafwaarde van een nieuwe machine op 1 januari 2016 is € 60.000. Afschrijving in 10 jaar. Eind 2017 blijkt de inkoopprijs van de machine te zijn gestegen naar € 70.000. Cumulatieve afschrijving op 31 december 2017 is € 12.000. Boekwaarde 31 december 2017 is € 48.000. Hoeveel bedraagt de herwaardering op 31 december 2017 indien gewaardeerd wordt op actuele kostprijs?
a)
€ 2.000
b)
€ 10.000
c)
€ 8.000
d)
€ 6.000
11.
Welke definitie van actuele kostprijs is juist?
a)
De actuele kostprijs van een actief dient te worden gebaseerd op het bedrag dat de rechtspersoon op de datum van herwaardering voor dat actief zou ontvangen bij verkoop, indien het actief de ouderdom zou hebben zoals ten tijde van de oorspronkelijke verkoopwaarde, verhoogd met geschatte actuele bijkomende kosten van verkoop
b)
De actuele kostprijs van een actief dient te
worden gebaseerd op het bedrag dat de rechtspersoon op de datum van
herwaardering voor dat actief zou betalen bij verkrijging, indien het actief de
ouderdom zou hebben zoals ten tijde van de oorspronkelijke verkrijging
c)
De actuele kostprijs van een actief
dient te worden gebaseerd op het bedrag dat de rechtspersoon op de datum van
herwaardering voor dat actief zou betalen bij verkrijging, indien het actief de
ouderdom zou hebben zoals ten tijde van de oorspronkelijke verkrijging,
verhoogd met geschatte actuele bijkomende kosten van verkrijging
d)
De actuele kostprijs van een actief dient te
worden gebaseerd op het bedrag dat de rechtspersoon op de datum van
herwaardering voor dat actief zou betalen bij verkrijging
12.
Vanaf 1 januari 2017 geen opbouw meer van pensioen. Welke stelling is onjuist?
a)
De huidige voorziening laten wij premievrij doorlopen
b)
De vrijval van de huidige voorziening dient via het eigen vermogen te lopen
c)
De huidige voorziening afkopen met belastingkorting in 2017, 2018 of 2019
d)
De huidige voorziening omzetten naar een spaarvariant zonder opbouw
13.
Ten aanzien van continuïteitsvraagstukken:
Stelling I: Liquiditeit is belangrijker dan solvabiliteit
Stelling II: Indien management weigert de gerede twijfel ten aanzien van continuïteit toe te lichten in de jaarrekening dient de accountant bij een samenstellingsopdracht de opdracht terug te geven
Stelling I: Liquiditeit is belangrijker dan solvabiliteit
Stelling II: Indien management weigert de gerede twijfel ten aanzien van continuïteit toe te lichten in de jaarrekening dient de accountant bij een samenstellingsopdracht de opdracht terug te geven
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
14.
Stelling I: Het vooruitzicht inzake continuïteit is onzeker, de accountant is onzeker en dit wordt toegelicht in de jaarrekening, dan resulteert dit in een goedkeurende controleverklaring met paragraaf ter benadrukking van onzekerheid omtrent de continuïteit.
Stelling II: De beoordeling van het management is positief, de accountant is negatief omtrent continuïteit en dit wordt niet toegelicht in de jaarrekening. De jaarrekening wordt uitgegeven met een samenstelverklaring.
Stelling II: De beoordeling van het management is positief, de accountant is negatief omtrent continuïteit en dit wordt niet toegelicht in de jaarrekening. De jaarrekening wordt uitgegeven met een samenstelverklaring.
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
15.
Welke stelling is onjuist?
a)
Een pand in eigen gebruik waardeer je tegen de kostprijs of actuele waarde
b)
De WOZ waarde is geen juiste inschatting van de actuele waarde
c)
Een vastgoed BV XYZ houder van vijf panden ten behoeve van de verhuur. De panden betreffen vastgoedbeleggingen. De waardering betreft kostprijs of actuele kostprijs
d)
Aparte vastgoed BV, eigen verbruik. Waardering tegen kostprijs of actuele waarde
16.
Belangrijke criteria voor de inschatting of een lease een Financial lease betreft zijn
Stelling I: Leasetermijn is minimaal 75 % van de economische levensduur
Stelling II: De contante waarde van de leasetermijnen bedraagt minimaal 90 % van de waarde van het object.
Stelling III: Indien aan I en II is voldaan is er sprake van een Financial lease.
Stelling I: Leasetermijn is minimaal 75 % van de economische levensduur
Stelling II: De contante waarde van de leasetermijnen bedraagt minimaal 90 % van de waarde van het object.
Stelling III: Indien aan I en II is voldaan is er sprake van een Financial lease.
a)
Alle stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I en II zijn juist
c)
Alleen stelling I is juist
d)
Alle stellingen zijn onjuist
17.
Een transportonderneming XYZ heeft een aantal vrachtwagens die worden geleased van leasemaatschappij ABC. De leaseconstructie is zodanig opgezet dat de termijn van de lease op 70% van de economische levensduur uitkomt en de leasebetaling 85 % van de waarde van de vrachtwagens is. Welke stelling is juist?
a)
De termijn is niet minimaal 75% van de
leasetermijn dus er is sprake van operational lease
b)
De leasebetaling is 85% van de waarde van de
vrachtwagens dus er is sprake van Financial lease
c)
Het
leasecontract dient nader te worden bekeken. Indien blijkt dat sprake is van
een aankoop tegen zeer geringe waarde of het verkrijgen om niet na de
leasetermijn zou dit kunnen wijzen op operational lease
d)
Het leasecontract dient nader te worden bekeken.
Indien blijkt dat sprake is van een aankoop tegen zeer geringe waarde of het
verkrijgen om niet na de leasetermijn zou dit kunnen wijzen op financial lease
18.
In het kader van sale and lease back wordt er een 10 jaar oud pand (in eigen gebruik) verkocht aan de leasemaatschappij voor 5 miljoen euro. Er wordt gelijk een leasecontract voor 20 jaar afgesloten. De economische levensduur van het pand is nog 30 jaar. De boekwaarde van het pand is 2,5 miljoen euro. De actuele waarde van het pand is 4,5 miljoen euro. Welke journaalpost wordt er gemaakt bij operational lease?
a)
Bank 5
a/ mva 2,5
a/boekwinst 2,5
a/ mva 2,5
a/boekwinst 2,5
b)
Bank 5
a/leaseverplichting 5
Bank 5
a/leaseverplichting 5
Bank 5
c)
Bank 5
a/leaseverplichting 2,5
a/ boekwinst 2
a/overlopende post 0,5
a/leaseverplichting 2,5
a/ boekwinst 2
a/overlopende post 0,5
d)
Bank 5
a/overlopende post 0,5
a/ mva 2,5
a/boekwinst 2
a/overlopende post 0,5
a/ mva 2,5
a/boekwinst 2
19.
In het kader van sale and lease back wordt er een 10 jaar oud pand (in eigen gebruik) verkocht aan de leasemaatschappij voor 5 miljoen euro. Er wordt gelijk een leasecontract voor 20 jaar afgesloten. De economische levensduur van het pand is nog 30 jaar. De boekwaarde van het pand is 2,5 miljoen euro. De actuele waarde van het pand is 4,5 miljoen euro. Welke journaalpost wordt er gemaakt bij Financial lease?
a)
Bank 5
a/ mva 2,5
a/boekwinst 2,5
a/ mva 2,5
a/boekwinst 2,5
b)
Bank 5
a/leaseverplichting 5
a/leaseverplichting 5
c)
Bank 5
a/leaseverplichting 2,5
a/boekwinst 2
a/overlopende post 0,5
a/leaseverplichting 2,5
a/boekwinst 2
a/overlopende post 0,5
d)
Bank 5
a/overlopende post 0,5
a/mva 2,5
a/boekwinst 2
a/overlopende post 0,5
a/mva 2,5
a/boekwinst 2
20.
Welke situaties kunnen bestaan waardoor er niet geconsolideerd hoeft te worden? Welke stelling is onjuist?
a)
De onderneming is klein
b)
Toepassing van artikel 407
c)
Als sprake is van een personal holding
d)
Als er geen sprake is van organisatorische verbondenheid
21.
Welke stelling is juist?
Stelling I: Er bestaat een wettelijk vermoeden van een deelneming bij minimaal 20% van de aandelen
Stelling II: Indien er geen sprake is van duurzame verbondenheid ten dienste van de eigen werkzaamheid, maar wel 20% van de aandelen in bezit is, is er sprake van een deelneming
Stelling I: Er bestaat een wettelijk vermoeden van een deelneming bij minimaal 20% van de aandelen
Stelling II: Indien er geen sprake is van duurzame verbondenheid ten dienste van de eigen werkzaamheid, maar wel 20% van de aandelen in bezit is, is er sprake van een deelneming
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
22.
Welke stelling is juist?
Stelling I: Er is sprake van een groepsrelatie tussen de personal holding en de onderliggende rechtsperso(o)n(en) als de personal holding daarmee een economische eenheid vormt, organisatorisch is verbonden en daaraan centrale leiding geeft
Stelling II: Indien er sprake is van een groepsrelatie tussen de personal holding en de onderliggende rechtspersonen is de personal holding groepshoofd
Stelling I: Er is sprake van een groepsrelatie tussen de personal holding en de onderliggende rechtsperso(o)n(en) als de personal holding daarmee een economische eenheid vormt, organisatorisch is verbonden en daaraan centrale leiding geeft
Stelling II: Indien er sprake is van een groepsrelatie tussen de personal holding en de onderliggende rechtspersonen is de personal holding groepshoofd
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
23.
Welke stelling is juist?
Stelling I: Als het verlies van de deelneming wordt veroorzaakt door een incidentele last (het voor het eerst opnemen van een reorganisatievoorziening) terwijl de onderneming verder winstgevend is, dan is het onwaarschijnlijk dat er bij de deelnemende rechtspersoon een uitstroom van middelen ontstaat. In deze situatie zal de deelnemende rechtspersoon indien sprake is van een negatieve waarde van de deelneming een voorziening deelneming verantwoorden.
Stelling II: Nadat is vastgesteld of een deelnemende rechtspersoon (deels) aansprakelijk is voor de schulden van de deelneming, moet worden beoordeeld of dit resulteert in het opnemen van een voorziening. Hiervan is onder andere sprake als De rechtspersoon een (in rechte afdwingbare of feitelijke) verplichting heeft.
Stelling I: Als het verlies van de deelneming wordt veroorzaakt door een incidentele last (het voor het eerst opnemen van een reorganisatievoorziening) terwijl de onderneming verder winstgevend is, dan is het onwaarschijnlijk dat er bij de deelnemende rechtspersoon een uitstroom van middelen ontstaat. In deze situatie zal de deelnemende rechtspersoon indien sprake is van een negatieve waarde van de deelneming een voorziening deelneming verantwoorden.
Stelling II: Nadat is vastgesteld of een deelnemende rechtspersoon (deels) aansprakelijk is voor de schulden van de deelneming, moet worden beoordeeld of dit resulteert in het opnemen van een voorziening. Hiervan is onder andere sprake als De rechtspersoon een (in rechte afdwingbare of feitelijke) verplichting heeft.
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjusit
24.
Welke stelling is juist?
Stelling I: Bij winstrechtloze aandelen heb je wel een deelneming, hierbij worden de NVW mutaties verwerkt
Stelling II: Bij stemrechtloze aandelen heb je wel een deelneming, maar geen invloed van betekenis. Je waardeert de deelneming tegen netto vermogenswaarde
Stelling I: Bij winstrechtloze aandelen heb je wel een deelneming, hierbij worden de NVW mutaties verwerkt
Stelling II: Bij stemrechtloze aandelen heb je wel een deelneming, maar geen invloed van betekenis. Je waardeert de deelneming tegen netto vermogenswaarde
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
25.
Welke stelling is juist?
Stelling I: Er is sprake van VOF ( Deelnemers A en B) met 50/50 aandeelhouderschap, B is beslissingsbevoegd. Er is hierbij sprake van een Joint venture.
Stelling II: Er is sprake van een VOF (Deelnemers A en B) met 50/50 aandeelhouderschap, A is beslissingsbevoegd. A heeft beleidsbepalende invloed. Hierbij zal A de joint venture integraal consolideren.
Stelling I: Er is sprake van VOF ( Deelnemers A en B) met 50/50 aandeelhouderschap, B is beslissingsbevoegd. Er is hierbij sprake van een Joint venture.
Stelling II: Er is sprake van een VOF (Deelnemers A en B) met 50/50 aandeelhouderschap, A is beslissingsbevoegd. A heeft beleidsbepalende invloed. Hierbij zal A de joint venture integraal consolideren.
a)
Beide stellingen zijn juist
b)
Alleen stelling I is juist
c)
Alleen stelling II is juist
d)
Beide stellingen zijn onjuist
Reset
