NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsBurgerschap - Democratie
Total questions: 20
Worksheet time: 12mins
Name
Class
Date
1.
Wat is politiek?
a)
De manier waarop verschillende belangen worden afgewogen
b)
Het bestuur in een land
c)
Alle politieke uitspraken
d)
Politieke partijen
2.
Een bestuursvorm waarbij één persoon of een kleine groep aan de macht is noem je..
a)
Democratie
b)
Dictatuur
3.
Democratie betekent letterlijk..
a)
Heerschappij
b)
Volksvertegenwoordiging
c)
Volksheerschappij
4.
Nederland heeft een..
a)
Directe democratie
b)
Indirecte democratie
5.
Welke twee waarden liggen aan de basis van de Nederlandse democratie?
a)
Vrijheid en eerlijkheid
b)
Vrijheid en gelijkheid
c)
Gelijkheid en eerlijkheid
6.
Hoe noem je een land waarin mensen op andere mensen stemmen die hen dan vertegenwoordigen?
a)
Dictatuur
b)
Parlementaire democratie
c)
Vertegenwoordigersland
7.
Het parlement bestaat uit de leden van de Eerste en Tweede Kamer.
a)
Juist
b)
Onjuist
8.
Leden van de Eerste Kamer worden gekozen door..
a)
Bevolking
b)
Provinciale Staten
9.
De Tweede Kamerleden worden direct gekozen door de Nederlandse bevolking en heeft..
a)
75 leden
b)
150 leden
c)
125 leden
10.
Om de hoeveel jaar zijn er Tweede Kamerverkiezingen?
a)
1 jaar
b)
3 jaar
c)
4 jaar
d)
7 jaar
11.
Welke politieke niveaus kennen we in Nederland?
a)
Gemeente, Provincie, Landelijk
b)
Steden, Gemeente, Landelijk
c)
Provincie en Landelijk
d)
Gemeente, Landelijk
12.
Wie is de baas in een gemeente?
a)
Burgemeester
b)
Gemeenteraad
c)
Provinciale Staten
13.
Wie beslist in welke meren en rivieren je mag zwemmen?
a)
Gemeenteraad
b)
Badmeester
c)
Provinciale Staten
14.
Wie beslist welke vakken op middelbare scholen gegeven moeten worden?
a)
Gemeenteraad
b)
Schooldirectie
c)
Tweede Kamer
15.
De Verenigde Staten heeft een..
a)
Parlementaire democratie
b)
Presidentieel systeem
16.
In Nederland mag je stemmen als je ……… bent en een Nederlands paspoort hebt. Welke woorden zijn weggelaten?
a)
A. 16 jaar
b)
B. 18 jaar.
c)
C. 21 jaar.
17.
Hard optreden tegen politieke tegenstanders zie je in een:
a)
dictatuur.
b)
democratie.
18.
In een dictatuur:
a)
zijn vaak verkiezingen.
b)
is altijd een koning(in) aan de macht.
c)
heeft vaak het leger de macht. D. hebben burgers veel rechten.
d)
hebben burgers veel rechten.
19.
De koning en de Tweede Kamer controleren de ministers.
a)
juist
b)
onjuist
20.
De burgers kiezen in de gemeente:
a)
de burgemeester.
b)
de gemeenteraad.
Reset
