wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Totalitaire samenleving

Total questions: 15

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.
Dit hoofdstuk gaat over het interbellum. Wat betekent het woord interbellum?
a)
Tijd van de Crisis
b)
Tijd tussen oorlogen
c)
Tijd van staatsgrepen
d)
Geen idee
2.
Welke jaartallen horen bij het interbellum?
a)
1919-1939
b)
1920-1940
c)
1918-1939
d)
1918-1940
3.
Zet in de juiste volgorde
a)
Lenin-Stalin-Tsaar
b)
Stalin-Tsaar-Lenin
c)
Tsaar-Stalin-Lenin
d)
Tsaar-Lenin-Stalin
4.
Lenin grijpt de macht in Rusland. Met welke groep doet hij dat?
a)
Met de socialisten
b)
Met de nationalisten
c)
Met de communisten
d)
Met de fascisten
5.
Welk woord past het beste bij het begrip communisme?
a)
Vrijheid
b)
Nationalisme
c)
geweld is goed
d)
gelijkheid
6.
Het communisme had een planeconomie. Dat houdt in dat de overheid bepaalt wat en hoeveel er wordt geproduceerd
a)
Juist
b)
Onjuist
7.
Welk begrip hoort bij deze afbeelding?
a)
Propaganda
b)
Persoonsverheerlijking
c)
Nationalisme
d)
Indoctrinatie
8.
Welk begrip hoort bij deze afbeelding?
a)
Terreur
b)
Indoctrinatie
c)
1 sterke leider
d)
nationalisme
9.
Wat is geen kenmerk van het fascisme?
a)
Racisme
b)
1 Sterke leider
c)
Geweld is goed
d)
Nationalisme
10.
De afbeelding past bij het begrip inflatie
a)
Juist
b)
Onjuist
11.
Deze afbeelding past bij het begrip inflatie
a)
Juist
b)
Onjuist
12.
De Duitsers hadden vertrouwen in de Republiek van Weimar
a)
Juist
b)
Onjuist
13.
Is de beurskrach een oorzaak of een gevolg van de inflatie?
a)
Oorzaak
b)
Gevolg
14.
Is dit een indirecte of directe bron?
a)
Directe bron
b)
Indirecte bron
15.
Hoort de volgende zin bij een planeconomie of een vrijemarkteconomie?
Winst maken is belangrijk
a)
Planeconomie
b)
Vrijemarkteconomie