NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsTaal Groep 6 Thema 3 Andere-klankwerkwoorden
Total questions: 10
Worksheet time: 5mins
Name
Class
Date
1.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Papa schuift de pan opzij.
Papa schuift de pan opzij.
a)
schoven
b)
schoof
c)
schuifte
d)
schuift
2.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Ik trek een spijkerbroek aan.
Ik trek een spijkerbroek aan.
a)
trek
b)
trok
c)
trekte
d)
trokte
3.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Papa zoekt de krant.
Papa zoekt de krant.
a)
zoekt
b)
zocht
c)
zoekte
d)
zochte
4.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Wij lopen naar het winkelcentrum.
Wij lopen naar het winkelcentrum.
a)
lopen
b)
liepen
c)
loopte
d)
loopten
5.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Ik begrijp de vraag niet.
Ik begrijp de vraag niet.
a)
begrijp
b)
begreep
c)
begrijpte
d)
begrijpde
6.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Wij houden van sinaasappels.
Wij houden van sinaasappels.
a)
houden
b)
hielden
c)
houdde
d)
houdden
7.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Mijn broertjes worden 7 jaar.
Mijn broertjes worden 7 jaar.
a)
worden
b)
werden
c)
wordden
d)
werdden
8.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
De kinderen vragen iets aan juf.
De kinderen vragen iets aan juf.
a)
vragen
b)
vroegen
c)
vraagden
d)
vraagten
9.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
De kinderen ruiken aan de bloesem.
De kinderen ruiken aan de bloesem.
a)
ruiken
b)
roken
c)
ruikten
d)
rookten
10.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Ik drink mijn thee op.
Ik drink mijn thee op.
a)
drink
b)
dronk
c)
drinken
d)
dronken
Reset
