WorksheetsVoorzetsels
Total questions: 15
Worksheet time: 8mins
Name
Class
Date
1.
De juf zit ..... haar bureau.
a)
tussen
b)
aan
c)
langs
d)
in
2.
Ik wil graag ..... m'n vriendin naar de dierentuin.
a)
naar
b)
via
c)
bij
d)
met
3.
Ik moet op school blijven ..... twee uur.
a)
tot
b)
sinds
c)
in
d)
tijdens
4.
..... het huis hebben we een tuin.
a)
Tussen
b)
Zonder
c)
Achter
d)
Achterin
5.
We kijken ..... het eten en drinken vaak een filmpje.
a)
op
b)
om
c)
tijdens
d)
behalve
6.
Ik mag niet ..... jas aan naar buiten.
a)
zonder
b)
naar
c)
tegen
d)
door
7.
De rekenspelletjes liggen ..... de kast.
a)
met
b)
uit
c)
in
d)
aan
8.
Onze kat ligt het liefst ..... de bankt te slapen.
a)
binnen
b)
tijdens
c)
tot
d)
op
9.
Ik kan niet wachten ..... het vakantie is.
a)
op
b)
tot
c)
met
d)
bij
10.
Je kunt schoenen alleen ..... paar kopen.
a)
aan
b)
per
c)
behalve
d)
met
11.
Als ik naar huis loop dan kom ik ..... de bakker.
a)
met
b)
tijdens
c)
naar
d)
langs
12.
Als ik naar oma loop, dan loop ik ..... de bibliotheek.
a)
behalve
b)
tegen
c)
via
d)
met
13.
Je kunt het beste vlees kopen ..... de slager.
a)
naast
b)
door
c)
in
d)
bij
14.
Vind je het goed als we volgende week toch gewoon naar school gaan? Want vakantie hebben is stom he?
a)
Ja
b)
Ja
15.
Flauw van de meester he?
a)
Nee hoor
b)
Nee hoor
100 %
