NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsNOVA - H5 - Elektriciteit
Total questions: 11
Worksheet time: 6mins
Name
Class
Date
1.
Wat betekent het volgende symbool?
a)
Lampje
b)
Batterij
c)
Schakelaar
d)
Meter
2.
Welke eenheid hoort bij spanning?
a)
Ampère
b)
Watt
c)
Wattuur
d)
Volt
3.
Welke schakeling staat op het plaatje?
a)
Serieschakeling
b)
parallelschakeling
c)
hotelschakeling
d)
gemengde schakeling
4.
De letter P staat voor:
a)
Vermogen
b)
Power
c)
Beide antwoorden zijn goed
d)
Beide antwoorden zijn fout
5.
Hoeveel batterijen zijn er nodig om een spanning te maken van 9 Volt?
(een batterij geeft ongeveer 1,5 Volt
(een batterij geeft ongeveer 1,5 Volt
a)
4
b)
5
c)
6
d)
7
6.
27 mA =
a)
2700 A
b)
270 A
c)
0,27 A
d)
0,027 A
7.
16 kV =
a)
16000 V
b)
160 V
c)
0,16 V
d)
0,0016 V
8.
5 identieke lampjes zijn aangesloten op een batterij van 9 Volt.
Welke stelling is juist?
Welke stelling is juist?
a)
Lampjes 1 en 2 branden het felst.
b)
Lampjes 3, 4 en 5 branden het felst.
c)
Alle lampjes branden even fel.
d)
Kan je niet weten want de stroomsterkte is niet gegeven.
9.
In de figuur zijn 3 dezelfde lampjes aangesloten op een batterij van 4,5 Volt.
Welke stelling is juist?
Welke stelling is juist?
a)
Alle lampjes branden even fel.
b)
Het rechter lampje brandt het felst.
c)
Het rechter lampje brand het zwakst.
d)
Kan je niet weten omdat de stroomsterkte niet gegeven is.
10.
Met welke schakeling bepaal je spanning over het lampje en de stroomsterkte door het lampje?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
11.
Welke spanning geeft de Voltmeter aan?
a)
1,25 V
b)
1,5V
c)
12,5 V
d)
15 V
Reset
