WorksheetsWoordenschat HS3 - 1KGT
Total questions: 15
Worksheet time: 8mins
Name
Class
Date
1.
Wat betekent 'deel uit maken van'?
a)
onderdeel zijn van
b)
iets in delen splitsen
c)
een gedeelte afstaan
d)
iets kwijtraken
2.
Wat betekent 'behoren tot'?
a)
er niet bij horen
b)
ergens bij horen
c)
goed kunnen horen
d)
gaten in de muur boren
3.
Wat betekent 'bestuderen'?
a)
rijlessen volgen
b)
ergens in het bestuur zitten
c)
een studie gaan volgen
d)
onderzoeken
4.
Wat betekent 'breek je je hoofd'?
a)
vind je het te makkelijk
b)
kun je het niet begrijpen
c)
heb je hoofdpijn
d)
alles berekenen
5.
Wat betekent 'detail'?
a)
een groot onderdeel
b)
een klein onderdeel
c)
een kledingstuk
d)
een fabriek
6.
Wat betekent 'kern'?
a)
hoofdzaak
b)
bijzaak
c)
de aarde
d)
kinderen
7.
Wat betekent 'markeren'?
a)
pijn hebben
b)
aanstrepen
c)
boodschappen doen op de markt
d)
keersommen uitrekenen
8.
Wat betekent 'slechts'?
a)
verkeerd
b)
een fout maken
c)
alleen maar
d)
ook
9.
Wat betekent 'talloze'?
a)
weinig
b)
vele
c)
talentvolle
d)
minder
10.
Wat betekent 'telescoop'?
a)
een mobiele telefoon
b)
een telbord
c)
een vergrootglas
d)
verrekijker waarmee je naar de sterren kijkt
11.
Wat betekent 'tevens'?
a)
een vrouwelijk hondje
b)
bijvoorbeeld
c)
ook
d)
thee drinken
12.
Wat betekent 'zichtbaar'?
a)
mistig
b)
goed te zien
c)
voorzichtig
d)
zonder hulpmiddel
13.
Wat betekent 'samenvatten'?
a)
iets samen doen
b)
een krantenstuk schrijven
c)
een handvat repareren
d)
iets kort herhalen
14.
Wat betekent 'met het blote oog'?
a)
zonder hulpmiddel
b)
zonder ogen
c)
een bril dragen
d)
met één oog kijken
15.
Wat betekent 'bevatten'?
a)
ongezond eten
b)
een vat openen
c)
inhouden
d)
de waarheid vertellen
100 %
