NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsLiteratuurgeschiedenis
Total questions: 10
Worksheet time: 5mins
Name
Class
Date
1.
Welke uitspraak hoort bij de renaissance?
a)
Welschmerzt
b)
Carpe diem
c)
Pars pro toto
d)
Memento mori
2.
Welke periode komt er NA de renaissance?
a)
Middeleeuwen
b)
Verlichting
c)
Romantiek
d)
Sentimentalisme
3.
Welke van deze standen kwam NIET voor in de middeleeuwen?
a)
Adel
b)
Geestelijken
c)
Burgerij
d)
Heren
4.
Wie is Karel in het verhaal 'Karel ende Elegast'?
a)
Een boer
b)
Een ridder
c)
Een keizer
d)
Een leenheer
5.
Hoeveel coupletten heeft het Wilhelmus?
a)
14
b)
15
c)
16
d)
17
6.
Waar ontstond de renaissance?
a)
Nederland
b)
Italië
c)
Frankrijk
d)
Duitsland
7.
In de literatuur van de renaissance stonden drie termen centraal: translatio, imitatio en aemulatio. Bij welke vorm probeert de schrijver een klassiek werk te overtreffen?
a)
Translatio
b)
Imitatio
c)
Aemulatio
8.
Bij welke periode horen de spectatoriale tijdschriften?
a)
Middeleeuwen
b)
Renaissance
c)
Verlichting
d)
Romantiek
9.
In welke periode staat het gevoel centraal?
a)
Middeleeuwen
b)
Renaissance
c)
Verlichting
d)
Romantiek
10.
Welk van deze factoren wordt NIET gebruikt om het karakter van de mens in het naturalisme te verklaren?
a)
Het uiterlijk van het personage
b)
De tijd waarin hij leeft
c)
De eigenschappen die hij van zijn (voor)ouders heeft geërfd
d)
Het sociale milieu waarin hij opgroeit
Reset
