NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsWOI en communisme
Total questions: 12
Worksheet time: 12mins
Name
Class
Date
1.
Na het uitvaardigen van de Nieuwe Economische Politiek in 1921...
a)
...Mochten boeren zelf hun producten verkopen.
b)
...Was er in de steden een tekort aan vlees.
c)
...Stortte de productie en handel in elkaar.
d)
...Geen van de bovenstaande.
2.
Wat deed Lenin NIET om ervoor te zorgen dat zijn grote rijk niet uit elkaar viel.
a)
Hij noemde Rusland de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken.
b)
Lenin koos voor een dictatuur.
c)
Lenin wilde geen communistische ideologie doorvoeren.
d)
Geen van de bovenstaande.
3.
De Eerste Wereldoorlog verliep dramatisch voor Rusland. Er braken rellen uit die uitliepen op de Russische Revolutie. Welke invloed had de Russische Revolutie op het verloop van de Eerste Wereldoorlog?
a)
Dankzij de Russische Revolutie kon Duitsland meer legers inzetten in Frankrijk.
b)
Dankzij de Russische Revolutie kregen de Geallieerden er een sterke bondgenoot bij.
c)
Door de Russische Revolutie kreeg Duitsland een sterke tegenstander bij.
d)
Door de Russische Revolutie verloor Duitsland een sterke bondgenoot.
4.
De Eerste Wereldoorlog brak uit naar aanleiding van een moordaanslag in Serajewo. Maar lang daarvoor groeiden er al tegenstellingen waarbij steeds meer landen werden betrokken. Wat was een dieperliggende oorzaak van de Eerste Wereldoorlog?
a)
De rivaliteit tussen Engeland en Rusland vanwege de dreigende communistische revolutie
b)
De rivaliteit tussen Engeland en Rusland vanwege het toenemende nationalisme
c)
De rivaliteit tussen Frankrijk en Duitsland vanwege de Franse nederlaag in 1870
d)
De rivaliteit tussen Frankrijk en Duitsland vanwege het verlies van Elzas-Lotharingen waarvoor Duitsland wraak zocht
5.
Communisme en nationaal-socialisme stonden op veel punten lijnrecht tegenover elkaar. Maar er waren ook overeenkomsten tussen beide ideologieën. Welke overeenkomsten waren er tussen de beide stelsels?
a)
Beide geloofden in de superioriteit van het blanke ras en in een gewelddadige revolutie.
b)
Beide geloofden in gelijkheid en een totalitaire regering.
c)
Beide maakten gebruik van propaganda en geloofden in gelijkheid.
d)
Beide maakten gebruik van geweld en persoonsverheerlijking van de leider.
6.
Wie kwam er met de Russische Revolutie aan de macht?
a)
Trotski
b)
Lenin
c)
Stalin
d)
Nicolaas
7.
Welk begrip hoort bij deze afbeelding?
a)
Propaganda
b)
Persoonsverheerlijking
c)
Nationalisme
d)
Indoctrinatie
8.
Om welke reden hield Bismarck angstvallig vast aan het bestaande machtsevenwicht?
a)
angst voor tweefrontenoorlog
b)
Om een grote industrie te kunnen opbouwen
c)
communistische dreiging
d)
om een diplomatieke rol te kunnen vervullen in de wereld
9.
Welke cultuur-mentale verandering laat de afbeelding (tijdens WOI) zien?
a)
Vrouwenemancipatie
b)
Wapenindustrie
c)
Nationaal-socialisme
d)
Totale oorlog
10.
Wat was de aanleiding voor de machtigingswet in maart 1933?
a)
De Kristallnacht
b)
De Rijksdagbrand
c)
De Bierkellerputch
d)
De Spartakusopstand
11.
Welk kenmerkend aspect past het beste bij de onderstaande afbeelding?
a)
Industriële Revolutie
b)
Modern Imperialisme
c)
Opkomst politieke stromingen
d)
Het voeren van twee wereldoorlogen
12.
Wat is geen kenmerk van het fascisme?
a)
Racisme
b)
1 Sterke leider
c)
Geweld is goed
d)
Nationalisme
Reset
