Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling leerstof trim 2

Total questions: 35

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.
Om een breuk om te zetten in zijn decimale vorm deel je de teller door de noemer.
a)
Juist
b)
Fout
2.
De absolute waarde van een rationaal getal is dat getal voorzien van het andere toestandsteken.
a)
Juist
b)
Fout
3.
Het tegengestelde van het omgekeerde van 3/4 is 3/4.
a)
Juist
b)
Fout
4.
Het aftrekken van rationale getallen is commutatief.
a)
Juist
b)
Fout
5.
Het punt (-1,3) ligt in het vierde kwadrant.
a)
Juist
b)
Fout
6.
1 is het neutraal element voor de deling in Q.
a)
Juist
b)
Fout
7.
Elke gelijkzijdige driehoek is gelijkbenig.
a)
Juist
b)
Fout
8.
Een stomphoekige driehoek heeft twee scherpe hoeken.
a)
Juist
b)
Fout
9.
Een rechthoekige driehoek kan nooit gelijkbenig zijn.
a)
Juist
b)
Fout
10.
Een driehoek heeft twee hoeken van 75°, de derde hoek is dan...°
a)
10
b)
20
c)
30
d)
40
11.
Een driehoek met drie hoeken van 60° is ...
a)
Rechthoekig
b)
Stomphoekig
c)
Gelijkbenig
d)
Gelijkzijdig
12.
Nul is het ... element voor het optellen in Q.
a)
rationaal
b)
neutraal
c)
opslorpend
d)
decimaal
13.
Elk rationaal getal heeft een omgekeerde. 
a)
Juist
b)
Fout
14.
Hoeveel stompe hoeken heeft een stomphoekige driehoek?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
15.
In de oppervlakte formule van een driehoek betekent b de ...
a)
breedte
b)
basis
c)
basishoek
d)
balustrade
16.
-7 is het ... van 7.
a)
absolute waarde
b)
tegengestelde
c)
omgekeerde
d)
synoniem
17.
Zo noem je de twee even grote hoeken in een gelijkbenige driehoek.
a)
Even grote hoeken
b)
Breedtehoeken
c)
Tophoeken
d)
Basishoeken
18.
Een rechte die in een hoekpunt van een driehoek loodrecht naar de overstaande zijde gaat is een ...
a)
middelloodlijn
b)
zwaartelijn
c)
hoogtelijn
d)
bissectrice
19.
Een driehoek met minstens twee even lange zijden is ...
a)
Ongelijkbenige driehoek
b)
Gelijkbenige driehoek
c)
Ongelijkzijdige driehoek
d)
Gelijkzijdige driehoek
20.
-3 + 5
a)
-2
b)
2
c)
-8
d)
8
21.
-7 - (-2)
a)
9
b)
5
c)
-9
d)
-5
22.
8 - 11
a)
3
b)
-3
c)
19
d)
-19
23.
4 + (-9)
a)
-13
b)
13
c)
5
d)
-5
24.
-6 - (-10)
a)
16
b)
-16
c)
4
d)
-4
25.
-14 + 8
a)
-22
b)
22
c)
-6
d)
6
26.
12 - (-5)
a)
17
b)
-17
c)
7
d)
-7
27.
-11 - 6
a)
17
b)
-17
c)
5
d)
-5
28.
-9 + (-7)
a)
2
b)
-2
c)
-16
d)
16
29.
13 - 18
a)
5
b)
-5
c)
31
d)
-31
30.
(-5 + 4) . (-7)
a)
-63
b)
-7
c)
7
d)
63
31.
-8 + 4 : 2
a)
-2
b)
-6
c)
6
d)
-10
32.
Welke vergelijking heeft -5 als oplossing?
a)
2x = -3
b)
5 - x = 10
c)
-5x = -10
d)
5x = -25
33.
Bereken de omtrek van een gelijkbenige driehoek waarvan de benen 7,5 cm lang zijn en de basis 4,5 cm lang is.
a)
16,5 cm
b)
12 cm
c)
19,5 cm
d)
24 cm
34.
Bereken de oppervlakte van een driehoek waarvan de basis 2 dm lang is en de hoogte op de basis 15 cm lang is.
a)
300 cm
b)
300 cm²
c)
150 cm
d)
150 cm²
35.
In een driehoek ABC is de deellijn uit de hoek A ook de hoogtelijn uit A op de basis [BC].  Welke driehoek werd er getekend?
a)
Ongelijkbenige driehoek
b)
Gelijkbenige driehoek
c)
Gelijkzijdige driehoek