WorksheetsWoordenschat H2
Total questions: 10
Worksheet time: 5mins
Name
Class
Date
1.
In een vergelijking zet je dingen naast elkaar die op elkaar lijken.
a)
Waar
b)
Niet waar
2.
Wat is het object in een vergelijking?
a)
Waar het beeld op lijkt
b)
Waar het object op lijkt
c)
Iets uit de werkelijkheid
3.
Een vergelijking is een vorm van....
a)
Beeldspraak
b)
Metafoor
c)
Object
d)
Beeld
4.
Wat betekent 'je steentje bijdragen'?
a)
Meehelpen
b)
Verontwaardigd zijn
c)
Een huis bouwen
d)
Iets komt heel goed uit
5.
Wat betekent 'er is geen kruid tegen gewassen'?
a)
Niets helpt
b)
Het is vies
c)
Het ruikt erg sterk
d)
Verontwaardigd zijn
6.
Wat is het beeld in 'trots als een pauw'?
a)
Pauw
b)
Trots
c)
Als
d)
Een
7.
Wat is het object in 'Harry lacht als een boer met kiespijn'?
a)
Harry
b)
boer
c)
boer met kiespijn
d)
lacht
8.
Wat is het beeld in 'je kamer lijkt wel een zwijnenstal'?
a)
zwijnenstal
b)
je kamer
c)
kamer
d)
lijkt
9.
"De appel valt niet ver van de boom." Wat is dit?
a)
Metafoor
b)
Vergelijking
c)
Personificatie
10.
"De wind speelt met de bladeren." Wat is dit?
a)
Vergelijking
b)
Metafoor
c)
Personificatie
100 %
