NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsOnderzoeksvaardigheden
Total questions: 18
Worksheet time: 14mins
Name
Class
Date
1.
Een wetenschapper onderzoekt een probleem met behulp van de natuurwetenschappelijke methode. Deze methode bestaat achtereenvolgens uit:
a)
hypothese, conclusie, resultaat hypothese verworpen, nieuwe hypothese
b)
onderzoeksvraag, experiment, resultaat, probleem niet opgelost, nieuw probleem
c)
onderzoeksvraag, hypothese, conclusie, resultaat, hypothese bevestigd of niet
d)
onderzoeksvraag, hypothese, experiment, resultaat, hypothese bevestigd of niet
2.
Wat is het verschil tussen literatuuronderzoek en bronnenonderzoek?
a)
Bij bronnenonderzoek worden alleen de meest recente publicaties betrokken
b)
Bij bronnenonderzoek worden alleen de publicatie betrokken
c)
Bij bronnenonderzoek worden niet alleen publicaties betrokken
3.
Wanneer is een onderzoek betrouwbaar?
a)
Een onderzoek is betrouwbaar wanneer de resultaten bij herhaling van het onderzoek hetzelfde zijn.
b)
Een onderzoek is betrouwbaar wanneer de conclusie overeenkomen met de hypothese.
c)
Een onderzoek is betrouwbaar wanneer de meetinstrumenten meten wat het zou moeten meten.
4.
Wanneer is een onderzoek valide?
a)
Een onderzoek is valide wanneer de resultaten bij herhaling van het onderzoek hetzelfde zijn.
b)
Een onderzoek is valide wanneer de conclusie overeenkomt met de hypothese.
c)
Een onderzoek is valide wanneer de meetinstrumenten meten wat het zou moeten meten.
5.
Waarom bevatten wetenschappelijke artikelen literatuurverwijzingen?
a)
Om aan te tonen hoe belezen de schrijver van het artikel is
b)
Om de lezers te helpen de tekst beter te begrijpen
c)
Omdat dan beoordeeld kan worden op welke kennis je je baseert
6.
Wat is een kwantitatief onderzoek?
a)
Onderzoek waarbij informatie verzameld wordt om gedrag, overtuigingen en motivaties van mensen in kaart te brengen.
b)
Onderzoek dat wordt uitgevoerd met als doel om informatie in getallen uit te drukken.
c)
Onderzoek wat bij herhaling dezelfde resultaten en conclusies oplevert.
d)
Onderzoek wat een grote hoeveelheid data oplevert.
7.
Wat betekent het als er een correlatie wordt gevonden?
a)
Dat het onderzoek een oorzakelijk verband aantoont.
b)
Dat het onderzoek samenhang tussen hypotheses en conclusies toont.
c)
Dat er samenhang tussen reeksen getallen gevonden wordt.
8.
Wat betekent het als gesteld wordt dat de uitkomsten van een onderzoek niet significant zijn?
a)
Dat er geen of bijna geen verschil is
b)
Dat het gevonden verschil te klein is
c)
Dat de kans dat het verschil op toeval berust te groot is
9.
Wat betekent werken volgens de sneeuwbalmethode wanneer het gaat over literatuuronderzoek?
a)
Je begint het onderzoek bij een specifieke bron en eindigt bij een minder specifieke bron.
b)
Je begint het onderzoek ergens en gebruikt de literatuurlijst van deze bronnen om nieuwe literatuur te vinden.
c)
Je begint heel breed te zoeken en eindigt met specifieke bronnen.
d)
Je begint je onderzoek alleen en schakelt in de loop van de tijd allerlei mensen in om iets voor je uit te zoeken.
10.
Wat is waar over zoeken op internet?
a)
Alles wat op internet staat is waar.
b)
Google Scholar is geschikt om breed te zoeken naar wetenschappelijke informatie
c)
Met de 'gewone' Google vind je ook de artikelen die in Google Scholar zitten.
11.
Wat is een voorbeeld van een beschrijvende vraag?
a)
Wat zijn de verschillen tussen loopvogels in Zuid-Amerika en loopvogels in Australië?
b)
Hoe komt het dat elke stof smelt bij een bepaalde temperatuur?
c)
Welke mogelijke gevolgen heeft het vernieuwde belastingplan voor alleenstaande ouderen?
d)
Is het wenselijk dat werknemers extra worden gecontroleerd?
12.
Een voetbaltrainer denkt dat zijn team verliest door een tekort aan kracht bij zijn spelers. Hij besluit de factoren die de kracht beïnvloeden te bestuderen. Welke van de volgende variabelen kan de trainer bestuderen om te zien of ze de kracht van de spelers beïnvloeden?
a)
De hoeveelheid vitamines en voedingssupplementen die de spelers elke dag binnen krijgen.
b)
De hoeveelheid krachttrainingsoefeningen die elke dag worden gedaan.
c)
De hoeveelheid tijd die er per dag getraind wordt.
d)
Alle antwoorden
13.
Een boer vraagt zich af hoe hij de hoeveelheid graan die hij verbouwt kan verhogen. Hij wil de factoren onderzoeken die de graanoogst beïnvloeden. Welke van de volgende hypotheses zou hij het beste kunnen testen?
a)
Hoe groter de hoeveelheid gebruikte meststof, des te groter de graanoogst.
b)
Hoe groter de hoeveelheid graan, des te meer opbrengsten in een jaar.
c)
Als de hoeveelheid regen toeneemt, dan wordt de meststof effectiever.
d)
Als de hoeveelheid geproduceerde graan toeneemt, dan nemen de kosten van de productie toe.
14.
Wat is een voorbeeld van een onderzoeksvraag die door middel van een experiment onderzocht kan worden?
a)
Hoeveel mensen vinden dat het Koningshuis afgeschaft moet worden?
b)
Komen meer mensen naar een museum als die geen entreeprijs heft?
c)
Wanneer zal de volgende aardbeving in Oost-Turkije plaatsvinden?
15.
Amerikaanse wetenschappers onderzochten het voorkomen van hart- en vaatziekten bij een grote groep mannen tussen de 35 en 60 jaar met een hoog cholesterolgehalte in hun bloed. Het onderzoek, dat circa 10 jaar duurde, betrof de werking van een medicijn dat het cholesterolgehalte verlaagt. Het onderzoek was dubbelblind opgezet. Welke onderzoeksvraag zullen de wetenschappers zich gesteld hebben?
a)
Heeft cholesterol invloed op hart- en vaatziekten?
b)
Hoeveel % van de mensen met een hoog cholesterolgehalte heeft last van hart- en vaatziekten?
c)
Verkleint het cholesterolverlagend medicijn de kans op hart- en vaatziekten?
16.
Er wordt onderzoek gedaan naar de invloed van de hoogte van het inkomen op het geluk van mensen. Hoe noemen we in dit onderzoek het geluk van mensen?
a)
De afhankelijke variabele
b)
De kwalitatieve variabele
c)
De onafhankelijke variabele
17.
Uit onderzoek is gebleken dat mensen die voor het skiën alcohol gebruiken, minder vaak hun been breken dan mensen die geen alcohol gebruiken. Welke conclusie mag je uit dit onderzoek trekken?
a)
Alcohol werkt ontspannend en daardoor maken mensen minder ongelukken.
b)
Er is een verband is tussen alcohol en het breken van een been maar niet perse een causaal verband
c)
Goede skiërs kunnen het zich veroorloven voor het skiën alcohol te gebruiken.
18.
Leerlingen willen onderzoek doen naar het rookgedrag van leerkrachten tijdens de lunchpauze. Ze kunnen kiezen uit drie onderzoeksmethoden. Welke is in dit geval de meest valide methode?
a)
Interview
b)
Observatie
c)
Ontwerp
d)
Enquete
Reset
