NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsEconomie 3H H3 Buitenland en overheid
Total questions: 25
Worksheet time: 28mins
Name
Class
Date
1.
Nederland koopt bananen uit Afrika. Dit is een voorbeeld van:
a)
export van goederen
b)
import van goederen
c)
export van diensten
d)
import van diensten
2.
Een Amsterdammer gaat op vakantie in Spanje en slaapt op een camping. Dit is een voorbeeld van
a)
export van goederen
b)
import van goederen
c)
export van diensten
d)
import van diensten
3.
Het BBP van land A is €250 miljard. De export van land A is €40 miljard en de import €70 miljard. De exportquote van land A is:
a)
40%
b)
16%
c)
28%
d)
62%
4.
Het BBP van land A is €250 miljard, van land B €800 miljard. De export van land A is €40 miljard en de import €60 miljard. Van land B is de export €200 miljard en de import €250 miljard. Van welk land is de economie meer open en waarom?
a)
Van land A: hogere exportquote en importquote
b)
Van land A: lagere exportquote en importquote
c)
Van land B: hogere exportquote en importquote
d)
Van land B: lagere exportquote en importquote
5.
Wat is een voorbeeld van een extern effect?
a)
De bakker verkoopt een brood voor €2,20
b)
De inwoners van een appartement kunnen vanuit hun balkon de voetbalwedstrijd van Ajax bekijken
c)
Voor de helft van de prijs is er vanavond toegang bij discotheek Bras
d)
Alle inwoners van Nijmegen hebben door belasting meebetaald aan de snelweg
6.
Binnen de EU zijn 2 belangrijke afspraken: vrij verkeer van arbeid en kapitaal en vrij verkeer van goederen en diensten. Wat behoort niet tot deze afspraken?
a)
Een Nederlander kan in Spanje gaan wonen
b)
Op een fles wijn vanuit Italië moeten we €0,50 invoerrechten betalen
c)
Een Nederlands bedrijf zet in Hongarije een nieuwe vestiging op
d)
Een Spanjaard heeft zonder beperking geld op een bank in Nederland gezet
7.
Waarom maakt de EU geïmporteerde koffiebonen vanuit Afrika duurder met invoerrechten?
a)
Omdat koffiebonen slecht voor de gezondheid zijn
b)
Om de producenten uit Afrika te beschermen
c)
Omdat Afrika te weinig koffiebonen heeft
d)
Om de producenten in de EU te beschermen
8.
Op Nederlandse landbouwproducten zitten exportsubsidies. Waarom is dit zo?
a)
De producten kunnen dan goedkoper verkocht worden aan het buitenland, waardoor er meer verkocht wordt aan het buitenland
b)
De producten kunnen dan duurder verkocht worden aan het buitenland, wat zorgt voor meer winst
c)
Omdat Nederland teveel landbouwproducten heeft
d)
Omdat het buitenland te weinig landbouwproducten heeft
9.
Wat is een voorbeeld van een negatief extern effect?
a)
Vanuit je balkon zie je een mooie auto staan, waar je van geniet
b)
In je woonkamer heb je veel stank van de visvijver
c)
Voor een stroopwafel bij de bakker moet je €0,50 betalen
d)
Jij vindt het niet erg dat er naast je huis een skyline van flats gebouwd wordt
10.
Waaruit bestaat de collectieve sector?
a)
Het rijk en lagere overheden
b)
De regering en het parlement
c)
Bedrijven en de overheid
d)
De overheid en sociale fondsen
11.
Producenten kunnen van de overheid een bedrag aan accijns ontvangen per verkocht product. Wat is het effect hiervan?
a)
De producenten maken het product duurder om meer winst te krijgen
b)
Producenten maken het product met het bedrag van de accijns goedkoper om toch dezelfde opbrengst per product te krijgen
c)
Producenten veranderen niks aan de prijs van het product
12.
Wat is geen kostprijsverhogende belasting?
a)
btw
b)
accijns
c)
subsidie
d)
invoerrechten op importproducten
13.
De overheid wil met subsidies het gebruik van bepaalde goederen en diensten stimuleren. Aan welke producenten kan de overheid een subsidie geven zodat de producenten hun product goedkoper kunnen maken om de verkoop te stimuleren?
a)
Aan de Shell
b)
Aan een producenten van papier
c)
Aan de voetbalvereniging van Wijchen
d)
Aan de Gall & Gall
14.
Sommige goederen worden door de overheid geleverd, omdat het niet mogelijk is om deze door de particuliere sector te leveren. Wat is een voorbeeld van een collectief goed?
a)
Een theatervoorstelling
b)
Een rijksweg
c)
Defensie
d)
Een auto
15.
Waaruit bestaat het aanbod van arbeid?
a)
Het totaal aantal vacatures
b)
Iedereen die betaald werk heeft
c)
Iedereen die betaald werk heeft + de werklozen
d)
Iedereen die betaald en onbetaald werk heeft
16.
Wanneer is er werkloosheid?
a)
Als de vraag naar arbeid groter is dan het aanbod
b)
Als het aanbod van arbeid groter is dan de vraag
17.
Een cao (collectieve arbeidsovereenkomst) wordt gemaakt tussen werknemers van een groot bedrijf of van een hele bedrijfstak en hun werkgevers. Wat staat er niet in een cao?
a)
Financiële afspraken, zoals het loon
b)
Tussen wie de afspraken gelden
c)
De namen van alle werknemers
d)
Niet-financiële afspraken, zoals het aantal vrije dagen
18.
Wat gebeurt er met de hoogte van de lonen als het aanbod van arbeid groter is dan de vraag naar arbeid?
a)
De lonen zullen dalen maar niet lager dan het minimumloon en dan in de cao staat
b)
De lonen zullen heel ver dalen
c)
De lonen zullen stijgen tot het maximumloon
d)
De lonen zullen heel ver stijgen
19.
Nederland kent een minimumloon voor zowel jongeren als volwassenen. Wat is een nadeel van het minimumloon?
a)
Mensen zonder opleiding zijn relatief duur voor werkgevers
b)
Werknemers met weinig scholing worden niet uitgebuit
c)
Mensen met opleiding zijn relatief goedkoop voor werkgevers
d)
Een jongere heeft een kleine kans om aangenomen te worden
20.
In box 1 wordt belasting over inkomen uit werk en woning berekend. De belasting wordt berekend over:
a)
Het bruto-inkomen
b)
Het netto-inkomen
c)
Het belastbaar inkomen
d)
Het tastbaar inkomen
21.
Men mag bepaalde aftrekposten en heffingskortingen aftrekken, waardoor uiteindelijk minder belasting betaald hoeft te worden. Wat is daar geen voorbeeld van?
a)
Arbeidskorting
b)
Hypotheekrenteaftrek
c)
Belasting box 2
d)
Algemene heffingskorting
22.
Gebruik het schijventarief op blz. 82 van je boek. Max heeft een bruto-inkomen van €22.000 per jaar. Hij heeft voor €4.500 aan aftrekposten. Hij betaalt geen belasting in box 2, maar in box 3 €200. Hij heeft recht op de algemene heffingskorting (€2.007) en op een arbeidskorting van €400. Wat is de belasting die hij moet betalen aan de overheid?
a)
€5.862
b)
€3.655
c)
€6.062
d)
€4.055
23.
Gebruik het schijventarief op blz. 82 van je boek. Noud heeft een bruto-inkomen van €55.500 per jaar. Hij heeft recht op een reisaftrek van €100 en een hypotheekrenteaftrek van €4.500. Hij moet in totaal €400 belasting betalen in box 2 en 3. Hij heeft alleen recht op de algemene heffingskorting (€2.007). Hoeveel belasting moet hij in het totaal aan de overheid betalen?
a)
€18.040
b)
€19.561
c)
€25.550
d)
€17.640
24.
Ria heeft een bruto-inkomen van €33.000 per jaar. Haar reisaftrek is €300, algemene heffingskorting €2007, arbeidskorting €400 en hypotheekrenteaftrek €4.500. Wat is het belastbaar inkomen van Ria?
a)
€25.793
b)
€28.200
c)
€30.693
d)
€26.193
25.
Het Nederlandse belastingstelsel is een progressief stelsel. Hoe zien we dat terug?
a)
Iemand met een hoger inkomen betaalt in verhouding minder belasting dan iemand met een lager inkomen
b)
Iemand met een hoger inkomen betaalt in verhouding net zoveel belasting als iemand met een lager inkomen
c)
Iemand met een hoger inkomen betaalt in verhouding meer belasting dan iemand met een lager inkomen
d)
Iemand met een hoger inkomen betaalt absoluut altijd meer belasting dan iemand met een lager inkomen
Reset
