wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

HV4 oefenen diffusie en osmose

Total questions: 10

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.
Een bepaalde cel wordt achtereenvolgens in vier verschillende keukenzoutoplossingen gelegd en bij dezelfde vergroting getekend, zie afbeelding 1. Hierbij blijft de cel levend.

In welke figuur heeft de getekende cel de grootste turgor?
a)
figuur 1
b)
figuur 2
c)
figuur 3
d)
figuur 4
2.
Een leerling heeft twee plantencellen. De osmotische waarde van het vacuolevocht is bij deze cellen gelijk. Zij onderzoekt de volumeverandering van deze cellen, die optreedt als de cellen in bepaalde oplossingen worden gelegd. Zij legt deze cellen eerst in een oplossing die een iets lagere osmotische waarde heeft dan het vacuolevocht. Vervolgens brengt zij op tijdstip t = 0 de cellen over in gedestilleerd water. Beide cellen hebben op tijdstip t = 0 hetzelfde volume. Zij meet de volumeverandering van de cellen 1 en 2 vanaf t = 0 en zet haar resultaten uit in twee grafieken, zie afbeelding 2.
Kan het verschil in volumeverandering tussen cel 1 en cel 2 worden verklaard   door een verschil in elasticiteit van de celwanden?
 Zo ja, is de wand van cel 1 meer of minder elastisch dan die van cel 2? 
a)
Nee
b)
Ja, meer
c)
Ja, minder
3.
Een leerling heeft twee plantencellen. De osmotische waarde van het vacuolevocht is bij deze cellen gelijk. Zij onderzoekt de volumeverandering van deze cellen, die optreedt als de cellen in bepaalde oplossingen worden gelegd. Zij legt deze cellen eerst in een oplossing die een iets lagere osmotische waarde heeft dan het vacuolevocht. Vervolgens brengt zij op tijdstip t = 0 de cellen over in gedestilleerd water. Beide cellen hebben op tijdstip t = 0 hetzelfde volume. Zij meet de volumeverandering van de cellen 1 en 2 vanaf t = 0 en zet haar resultaten uit in twee grafieken, zie afbeelding 2.
Is de stevigheid van cel 1 op tijdstip P kleiner dan, gelijk aan of groter dan die   op tijdstip t = 0?
a)
kleiner dan
b)
gelijk aan
c)
groter dan
4.
In een proef wordt een stukje plantaardig weefsel in een suikeroplossing gelegd. In de wanden van de cellen van dit weefsel bevindt zich water met opgeloste stoffen.

Zijn bij de opgeloste stoffen suikermoleculen aanwezig die afkomstig zijn uit   de omringende oplossing?
Zo ja, door welke vorm van transport zijn die   suikermoleculen in de celwanden terechtgekomen?
a)
Er zijn geen suikermoleculen bij de opgeloste stoffen.
b)
Er zijn wel suikermoleculen en die zijn actief uit de oplossing     opgenomen. 
c)
Er zijn wel suikermoleculen en die zijn door diffusie getransporteerd.
d)
Er zijn wel suikermoleculen en die zijn door osmose getransporteerd
5.
Een bepaalde plantencel heeft een turgor die maximaal is. Hij verandert niet meer van grootte.
Is de osmotische waarde buiten de cel groter dan, kleiner dan of gelijk aan die in de cel?
a)
gelijk
b)
kleiner
c)
groter
6.
Bij een bepaalde plantensoort hebben de planten paarse bladeren. De paarse kleur wordt veroorzaakt door een kleurstof in het vacuolevocht. Op een gegeven moment hangen de bladeren van een plant van deze soort een beetje slap. Een preparaat met enkele levende cellen van een blad van deze plant wordt in gedestilleerd water gelegd.
Wat gebeurt er vervolgens met de kleur van het vacuolevocht in deze cellen? Wat is hiervoor de verklaring?
a)
De kleur van het vacuolevocht blijft onveranderd, doordat het celmembraan niet doorlaatbaar is voor de kleurstof.
b)
De kleur van het vacuolevocht wordt lichter, doordat er water de vacuole binnenkomt.
c)
De kleur van het vacuolevocht wordt lichter, doordat er kleurstof de vacuole uitgaat.
d)
De kleur van het vacuolevocht wordt donkerder, doordat er water de vacuole uit gaat.
7.
Het bloedplasma van de mens heeft een gemiddelde osmotische waarde, die gelijk is aan die van een 0,9% NaCl-oplossing. Bij een experiment worden rode bloedcellen in een oplossing P gelegd met een onbekende osmotische waarde. De opgeloste deeltjes in oplossing P kunnen geen celmembranen passeren. Na enige tijd worden de rode bloedcellen bekeken met een microscoop. Het blijkt dat ze zijn gezwollen.
Is de osmotische waarde in deze gezwollen rode bloedcellen kleiner dan, gelijk aan of groter dan die van een 0,9% NaCl-oplossing?
a)
kleiner dan
b)
gelijk aan
c)
groter dan
8.
Een druppel menselijk bloed wordt verdund met eenzelfde hoeveelheid gedestilleerd water.
Wat gebeurt er dan met de rode bloedcellen?
a)
Ze veranderen niet.
b)
 Ze krijgen een grotere turgor.
c)
Ze verschrompelen
d)
Ze zwellen op
9.
Drie reageerbuizen worden gevuld met oplossingen van keukenzout (NaCl) van verschillende concentraties. Buis 1 bevat een 0,1% NaCl-oplossing, buis 2 bevat een 0,9% NaCl-oplossing en buis 3 bevat een 1,5% NaCl-oplossing. In elk van deze buizen wordt een stukje van hetzelfde verse dierlijke weefsel ondergedompeld. De stukjes weefsel zijn allemaal even groot en rood van kleur. Voordat ze in de buizen zijn gedaan, zijn ze eerst goed afgespoeld totdat ze geen kleurstof meer afgeven. Na een half uur wordt het experiment beëindigd. De oplossing in buis 1 is licht rood geworden. De oplossingen in buis 2 en 3 zijn kleurloos gebleven.
Wat is de juiste verklaring voor het licht rood worden van de oplossing in buis 1?
a)
De celwanden zijn kapot gegaan omdat de omgeving hypertonisch was
b)
De cellen in het weefsel zijn kleiner geworden omdat er water uit de cel is gegaan.
c)
In de cellen zijn (rode) chromoplasten ontstaan
d)
De cellen zijn gesprongen omdat ze water hebben opgenomen.
10.
Waaraan is de osmotische waarde van een celwand van een plantencel gelijk? 
a)
het externe milieu
b)
het cytoplasma
c)
de vacuole