Worksheetseconomie, arbeid
Total questions: 19
Worksheet time: 22mins
Name
Class
Date
1.
Wat is geen arbeidsmotief
a)
Contact met mensen
b)
Meer consumeren
c)
Jezelf ontwikkelen
d)
Regelmaat in je leven
2.
Wat zijn de drie productiesectoren
a)
Agrarische, industriële en dienstensector
b)
Agrarische, winkel en arbeidssector
c)
Winkel, arbeids en dienstensector
d)
Industriële, winkel en agrarische sector
3.
Wat behoort niet tot de dienstensector ?
a)
Winkels
b)
Banken
c)
Overheid
d)
Industrie
4.
Wat is een organigram ?
a)
Schema van wie er leiding geeft en wie uitvoerend werk heeft
b)
Wet over wie leiding geeft en zie uitvoerend is
c)
Overzicht van de salarisen binnen een bedrijf
5.
Hoe noem je werk waarbij je verantwoordelijk bent voor het resultaat van de werkzaamheden van ondergeschikten
a)
geschoold werk
b)
leidinggevend werk
c)
ongeschoold werk
d)
uitvoerend werk
6.
Welk van de beweringen is juist?
Als je werkeloos wordt dan ......
Als je werkeloos wordt dan ......
a)
.. je recht op een uitkering van 80% van je loon
b)
.. is het makkelijk om carrière te maken
c)
.. heeft dat weinig sociale gevolgen.
d)
.. hoor je niet meer tot de beroepsbevolking
7.
Vul de zin aan:
als het aanbod van arbeid groter is dan de vraag naar arbeid ontstaat er .........
als het aanbod van arbeid groter is dan de vraag naar arbeid ontstaat er .........
a)
werkloosheid
b)
werkgelegenheid
c)
verborgen werkloosheid
d)
geregistreerde werkloosheid
8.
Omdat niet iedereen die wil werken bij het UWV staat ingeschreven ontstaat er .........
a)
werkloosheid
b)
werkgelegenheid
c)
verborgen werkloosheid
d)
geregistreerde werkloosheid
9.
Als veel bedrijven failliet gaan daalt de .......
a)
werkloosheid
b)
werkgelegenheid
c)
verborgen werkloosheid
d)
geregistreerde werkloosheid
10.
Het loon dat in je arbeidsovereenkomst vermeldt staat heet ....
a)
Brutoloon
b)
nettoloon
c)
arbeidsloon
d)
uitkering
11.
Het loon dat op je rekening wordt gestort heet ....
a)
brutoloon
b)
nettoloon
c)
arbeidsloon
d)
uitkering
12.
Het loon waarop de sociale premies en belastingen worden ingehouden heet ...
a)
brutoloon
b)
nettoloon
c)
arbeidsloon
d)
uitkering
13.
Van wie komt de vraag naar arbeid ?
a)
werkgevers
b)
werknemers
c)
werklozen
14.
Welke uitspraak is onjuist.
De beroepsbevolking ......
De beroepsbevolking ......
a)
krimpt wanneer er iemand overlijdt
b)
verandert tijdens het jaar niet
c)
Groeit, wanneer jij straks je diploma hebt en een baan gaat zoeken.
d)
Blijft gelijk indien iemand werkloos wordt en een nieuwe baan gaat zoeken
15.
Waardoor worden inkomensverschillen niet veroorzaakt
a)
Je afkomst e verantwoordelijk werk
b)
Onregelmatige diensten en ervaring
c)
Of je gevaar loopt en je geslacht
d)
Geleverde prestaties en je leeftijd
16.
Wat is een ander woord voor arbeidsdeelname ?
a)
Arbeidsmarkt
b)
Arbeidsparticipatie
c)
Werkgelegenheid
d)
Werkloosheid
17.
Wie werkt er in de formele sector
a)
Bram is leesvader op de basisschool
b)
Fatima helpt haar moeder vaak in het huishouden
c)
Janeeke maait het grasveld van haar opa voor € 5,- per keer
d)
Petra werkt als instructeur bij een rijschool
18.
Welk voordeel heeft zwartwerken
a)
Je bent niet verzekerd
b)
Je betaald geen belasting
c)
Je krijgt minder betaald dan met wit werk
d)
Na een ongeval heb je geen recht op hulp
19.
Welke zin is onjuist
a)
Je kan je bij het UWV inschrijven als je een baan wilt
b)
Hoelang je een uitkering krijgt, hangt af van hoe lang je daarvoor gewerkt hebt
c)
Als je zelf ontslag hebt genomen, heb je ook recht op een uitkering
d)
Weklozen die een uitkering willen moeten zich inschrijven bij het UWV
100 %
