WorksheetsK9 Helemaal
Total questions: 43
Worksheet time: 22mins
Name
Class
Date
1.
Insecten halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
2.
Eencellige dieren halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
3.
In de animatie zie je
a)
de buik- of middenrifademhaling
b)
de borstademhaling
c)
allebei
d)
geen van beide
4.
Nummer 6 is
a)
de luchtpijp
b)
een bronchie
c)
het strotklepje
d)
de huig
5.
Het gas dat bedoelt wordt met pijl A heet
a)
zuurstof
b)
koolstofdioxide
c)
stikstof
d)
edelgassen
6.
In de animatie zie je
a)
een klaplong
b)
een astma-aanval
c)
een hartaanval
d)
een bronchitis-aanval
7.
Nummer 8 wijst naar
a)
de luchtpijp
b)
een longtrechtertje
c)
een longblaasje
d)
een bronchie
8.
Zoogdieren halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
9.
Wie kunnen eerder een blaasontsteking krijgen?
a)
vrouwen, door een kortere plasbuis
b)
mannen, door de langere plasbuis
c)
vrouwen, door de kleinere blaas
d)
mannen, door de grotere blaas
10.
Wat de de juiste stand voor ademhalen?
a)
huig in stand 1, strotklepje in stand 1
b)
huig in stand 1, strotklepje in stand 2
c)
huig in stand 2, strotklepje in stand 1
d)
huig in stand 2, strotklepje in stand 2
11.
Hoe heet deel S?
a)
niermerg
b)
urineleider
c)
nierbekken
d)
urinebuis
12.
Wat hoort in de biologie NIET bij uitscheiding?
a)
plassen
b)
zweten
c)
uitademen
d)
poepen
13.
Welke letter geeft de urineleider aan?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
14.
Hoe heet onderdeel D in deze figuur?
a)
rechterboezem
b)
linkerboezem
c)
rechterkamer
d)
linkerkamer
15.
Door welk nummer stroomt O2-rijk bloed van de longen terug naar het hart?
a)
12
b)
3
c)
5
d)
4
16.
In deze maag zie je cholestrolrijke producten. Cholesterol is een
a)
eiwit
b)
vet
c)
koolhydraat
d)
zetmeel
17.
Welk nummer geeft de poortader aan?
a)
6
b)
7
c)
16
d)
15
18.
Bloedvat C brengt het bloed
a)
van het hart af
b)
naar het hart toe
19.
Bloedvat B heeft
a)
geen kleppen in de wanden
b)
wel kleppen in de wanden
20.
Bij de grote punt naar boven in de figuur van een hartslag.
a)
trekken de kamers samen
b)
trekken de boezems samen
c)
is er een hartpauze
21.
In deze afbeelding zie je een voorbeeld van
a)
leukemie
b)
spataderen
c)
hemofilie
22.
De cellen met een paarse kern zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
23.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
24.
De vloeistof die nu boven in de buis zit, is voor
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
25.
Als het bloed bij een wondje niet meer stolt, kan dat
a)
leukemie zijn
b)
hemofilie zijn
c)
door een hartinfarct komen
26.
Nummer 2 is de
a)
slokdarm
b)
maag
c)
12-vingerige darm
d)
speekselklier
27.
Nummer 9 is de
a)
slokdarm
b)
maag
c)
12-vingerige darm
d)
dunne darm
28.
Nummer 8 is de
a)
lever
b)
maag
c)
alvleesklier
d)
galblaas
29.
in nummer 3 wordt verteerd:
a)
zetmeel
b)
vetten
c)
eiwitten
d)
water
30.
Welk nummer wijst het tandbeen aan?
a)
1
b)
2
c)
3
31.
Hoe heet nummer 8?
a)
slokdarm
b)
maag
c)
12-vingerige darm
d)
anus
32.
Waar gaat deze afbeelding over?
a)
peristaltische beweging
b)
opnemen van voedingsstoffen
c)
darmbacteriën
d)
uitscheiden
33.
Dit is een
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
c)
genotsmiddel
34.
Dit is een
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
c)
genotsmiddel
35.
koolhydraat is een
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
c)
genotsmiddel
36.
Welke voedingsstof hoeft niet verteerd te worden?
a)
zetmeel
b)
eiwitten
c)
vetten
d)
mineralen
37.
Koolhydraten worden vooral gebruikt als
a)
brandstof
b)
bouwstof
c)
beschermende stof
d)
reservestof
38.
Mineralen worden vooral gebruikt als
a)
brandstof
b)
bouwstof
c)
beschermende stof
d)
reservestof
39.
Bij de persoon in de afbeelding is sprake van grondstofwisseling.
a)
Juist
b)
Niet juist
40.
Dit product past goed in de schijf van 5
a)
Ja, want er zit aardappel in.
b)
Nee, want er zit aardappel in.
c)
Ja, want er zit vet in
d)
Nee, want er zit teveel vet in
41.
De vezels uit het groente en fruitvak zijn vooral voor
a)
bouwstoffen
b)
brandstoffen
c)
goede darmwerking
d)
de smaak van je eten
42.
Uit dit plaatje over enzymwerking blijkt
a)
dat het maar één stof afbreekt
b)
dat het na de reactie onbruikbaar is
c)
dat het werkt bij een bepaalde temperatuur
d)
dat het meer dan één stof afbreekt
43.
Het enzym trypsine werkt het best bij een zuurgraad van
a)
6
b)
8
c)
2
d)
9
100 %
