NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsOefentoets (WH1 + SH1) - 3havo
Total questions: 40
Worksheet time: 20mins
Name
Class
Date
1.
etnisch
a)
wat te maken heeft met ras of volk
b)
onderzoek doen naar eten
c)
eetproblemen hebben
d)
eerlijk
2.
eerwraak
a)
moord vanwege het geschonden fatsoen van de familie
b)
een fout herstellen
c)
de eer aan jezelf willen houden
d)
iets eerlijk vertellen
3.
reserves
a)
voorbehoud
b)
opslagplaatsen
c)
het serveren van eten
d)
afrekenen
4.
origine
a)
afkomst
b)
waarheid
c)
een tropische vrucht
d)
regelementen
5.
ongegrond
a)
zonder reden
b)
de grond omscheppen
c)
op de grond staan
d)
ongezond
6.
onoverbrugbare
a)
onoverkomelijke
b)
langdurige
c)
correcte
d)
oneerlijk
7.
allengs
a)
langzamerhand
b)
alleen
c)
samen
d)
vroeger
8.
cohesie
a)
samenhang
b)
aanslag
c)
koper
d)
zelfstandig
9.
aversie
a)
afkeer
b)
passie
c)
samenhang
d)
duidelijk
10.
autochtone
a)
Nederlandse
b)
buitenlandse
c)
asielzoeker
d)
automatisch
11.
interetnisch
a)
uit verschillende bevolkingsgroepen
b)
in je eigen land
c)
samenwerken met de provincie
d)
heel actief
12.
compassie
a)
sympathie
b)
egoïstisch
c)
afkeer
d)
wegwijzer
13.
welwillender
a)
vriendelijker
b)
duidelijker
c)
strenger
d)
eerlijker
14.
idealiter
a)
in het meest gunstige geval
b)
in het slechtste geval
c)
met eigen ideeën komen
d)
de leiding nemen
15.
superieur
a)
voortreffelijk
b)
duidelijk
c)
eerlijk
d)
overdreven
16.
concept
a)
begrip
b)
kookwekker
c)
recept
d)
tekening
17.
verscheidenheid
a)
variatie
b)
overeenkomsten
c)
gescheiden worden
d)
verlegenheid
18.
tornen aan
a)
proberen te veranderen
b)
vast proberen te houden
c)
omhoog klimmen
d)
je mening geven
19.
onderklasse
a)
groep burgers die het in de samenleving niet redt
b)
de mensen met de hoogste inkomens
c)
mensen uit Oost-Groningen
d)
leerlingen uit de onderbouw
20.
integratie
a)
samengaan
b)
onderzoek via internet
c)
heel precies zijn
d)
zelfstandig werken
21.
opponenten
a)
tegenstanders
b)
medestanders
c)
teamgenoten
d)
optimistisch zijn
22.
uitwassen
a)
ongewenste ontwikkelingen
b)
positieve veranderingen
c)
geld verdubbelen
d)
kleding opvouwen
23.
segregatie
a)
groeperingen leven sterk gescheiden
b)
groeperingen leven voornamelijk samen
c)
iets zeker weten
d)
iets totaal niet weten
24.
getto's
a)
buitenwijken waar groepen geïsoleerd wonen
b)
muziekinstrumenten uit Afrika
c)
wijken waar rijke mensen wonen
d)
alle steden van Amerika samen
25.
verloochenen
a)
ontkennen dat iets bestaat
b)
toegeven dat je iemand kent
c)
op google informatie opzoeken
d)
iets verliezen
26.
Als het morgen mooi weer is, ... (worden) je rond de middag opgehaald om te gaan zwemmen.
a)
word
b)
wordt
27.
... (bereiden) jij de presentatie even goed voor?
a)
Bereid
b)
Bereidt
28.
Gisteren ... (verwachten) men enorme drukte bij de bioscoop.
a)
verwachtte
b)
verwachtten
c)
verwachten
d)
verwachte
29.
Normaal gesproken ... (branden) deze kaars wel acht uur lang.
a)
brandt
b)
brand
30.
Wist jij dat Peter volgende week al naar Zwolle ... (verhuizen)?
a)
verhuisd
b)
verhuist
31.
Mariët heeft eindelijk het hart van Peter ... (veroveren).
a)
veroverd
b)
verovert
32.
Als je goed hebt ... (luisteren), weet je wat de opdracht is.
a)
geluisterd
b)
geluistert
33.
Alleen als het hard regent, wordt de training ... (stilleggen).
a)
stilgelegd
b)
stilgelegt
34.
De buurvrouw ... (worden) alleen boos als je de bal bij haar in de tuin trapt.
a)
wordt
b)
word
35.
Margriet is vorige week naar Spanje ... (verhuizen).
a)
verhuisd
b)
verhuist
36.
Nickee ... (branden) gisteren haar vingers aan de oven.
a)
brandde
b)
brande
c)
brandden
d)
branden
37.
... (schreeuwen) van geluk kwam hij over de finish.
a)
schreeuwend
b)
schreeuwent
c)
geschreeuwd
d)
geschreeuwt
38.
Ondanks mijn telefoontje, ... (wachten) de trainer niet en vertrokken ze zonder mij.
a)
wachtte
b)
wachte
c)
wachtten
d)
wachten
39.
Na de val lag hij een kwartier lang ... (huilen) op de grond.
a)
huilend
b)
huilent
c)
gehuild
d)
gehuilt
40.
Over het algemeen ... (rijden) men op de motor harder dan op de brommer.
a)
rijdt
b)
rijd
c)
rijden
d)
reden
Reset
