wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De taal van de Ogen

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.
Wat is de functie van de pupilreflex?
a)
Zorgt voor een omgekeerd beeld op het netvlies
b)
Ervoor zorgen dat er steeds een scherp beeld op het netvlies staat
c)
De hoeveelheid licht regelen die op het netvlies valt.
2.
Waar begint de reflexboog van de pupilreflex?
a)
In de iris 
b)
In het netvlies 
c)
In de lens
3.
Waar vindt de ‘’vertaling’’ van het omgekeerde beeld dat op het netvlies valt plaats?
a)
In de oogzenuwen
b)
In het gezichtscentrum in de grote hersenen
c)
In de zintuigcellen van het netvlies
4.
Welke zintuigcellen werken in een donkere kamer? 
a)
Alleen kegeltjes
b)
alleen staafjes
c)
zowel kegeltjes als staafjes
5.
Welke zintuigcellen werken in een goed verlichte kamer? 
a)
alleen de kegeltjes
b)
alleen de staafjes
c)
zowel de staafjes als de kegeltjes
6.
Hoe heet het deel van je oog waarmee je echt scherp ziet
a)
netvlies
b)
blinde vlek
c)
gele vlek
d)
oogzenuw
7.
Pupilreflex : Bij sterk licht 
a)
trekken de kringspiertjes zich samen, en ontspannen de lengtespiertjes 
b)
trekken de lengtespiertjes samen en ontspannen de kringspiertjes 
c)
trekken zowel lengte als kringspiertjes samen
8.
pupilreflex: bij zwak licht 
a)
trekken de lengtespiertjes zich samen en ontspannen de kringspiertjes 
b)
trekken de kringspiertjes samen en ontspannen de lengtespiertjes 
c)
trekken zowel de lengte- als kringspiertjes samen
9.
Wat wordt aangeduid met het cijfer 5? 
a)
voorste kamer
b)
netvlies
c)
glasachtig lichaam
10.
Wat wordt aangeduid met het cijfer 3? 
a)
lens
b)
pupil
c)
iris
11.
Wat wordt aangeduid met het cijfer 1? 
a)
lens
b)
hoornvlies
c)
harde oogrok
12.
PUPILREFLEX:
waar worden impulsen opgewekt/
waar verloopt de impulsgeleiding
a)
Iris /
 gezichtscentrum 
b)
iris /
 hersenstam
c)
netvlies /
 gezichtscentrum
d)
netvlies/
hersenstam
13.
 Er treedt breking van lichtstralen op door:
a)
 het hoornvlies en pupil
b)
uitsluitend de ooglens
c)
het hoornvlies en door de ooglens
14.
Valt in een oog het licht van kant P,  Q of R op het netvlies?
a)
P
b)
Q
c)
R
15.
Wat ontbreekt in het midden van de gele vlek
a)
zenuwcellen
b)
staafjes
c)
kegeltjes
16.
Wat is staar (cataract)?
a)
vertroebeling van de ooglens
b)
slecht werkende lensbandjes
c)
ontstoken hoornvlies
17.
Bij verziendheid worden voorwerpen ..... gevormd
a)
voor het netvlies
b)
achter het netvlies
18.
Bij bijziendheid worden voorwerpen .... gevormd
a)
 voor het netvlies
b)
achter het netvlies
19.
De lens van een oog is bol. Kijkt dit oog nu naar een voorwerp ver weg of dichtbij?
a)
ver weg
b)
dichtbij
20.
Wanneer is een oog in rusttoestand?
a)
als het kijkt naar een voorwerp ver weg
b)
als het kijkt naar een voorwerp dichtbij