NEW
Font size
S
M
L
XL
Worksheets3.2
Total questions: 17
Worksheet time: 15mins
Name
Class
Date
1.
Kijken
a)
Je oren gebruiken
b)
Je neus gebruiken
c)
Je ogen gebruiken
d)
Je mond gebruiken
2.
Vragen
a)
Iets willen weten
b)
Op een vraag reageren
c)
Omhoog doen
d)
starten
3.
Wat is het tegenovergestelde woord van starten
a)
beginnen
b)
stoppen
c)
vragen
4.
Wat is het meervoud van de klok?
a)
de kloken
b)
de klooken
c)
de klokken
d)
de klokke
5.
Wat zijn dit?
a)
de wijzers
b)
de vragen
c)
de klokken
d)
de tijden
6.
Wat is de tijd?
a)
de klok
b)
hoe laat het is
c)
de wijzer
d)
kijken
7.
Wat is een zelfstandig naamwoord?
a)
kijken
b)
vragen
c)
de klok
d)
antwoorden
8.
hoe laat is het op deze klok?
a)
10 voor 9
b)
10 over 9
c)
5 over 9
d)
kwart voor 2
9.
Wat staat er altijd achter een vraag?
a)
een vraagteken ?
b)
een punt .
c)
een uitroepteken !
d)
een komma ,
10.
Wat is een vraag?
a)
Ik ben mevrouw Hilde.
b)
Met mij gaat het goed.
c)
Het is mooi weer.
d)
Hoe gaat het met jou?
11.
Wat is het meervoud van de hand?
a)
de hands
b)
de handen
12.
Wat is een antwoord op de vraag,
welke dag is het vandaag?
welke dag is het vandaag?
a)
Vandaag is het woensdag.
b)
Welke dag is het morgen?
c)
Ik ben mevrouw Leenders.
d)
Hoe gaat het met jou?
13.
In welke richting wijst de pijl?
a)
Rechts
b)
Links
14.
Wat is een werkwoord?
a)
De klok
b)
De tijd
c)
antwoorden
d)
de wijzer
15.
afsluiten
a)
Kijken
b)
Leggen
c)
beginnen
d)
stoppen
16.
Hoeveel vingers heeft een hand?
a)
10 vingers
b)
5 vingers
c)
8 vingers
d)
3 vingers
17.
Wat is opsteken?
a)
omhoog houden
b)
omlaag houden
c)
beginnen
d)
starten
Reset
