WorksheetsEen goed begin: blok 3 ziek en doelpunt
Total questions: 40
Worksheet time: 20mins
Name
Class
Date
1.
Wat zie je hier?
a)
denken
b)
dorst hebben
c)
honger hebben
d)
dromen
2.
Wat doet zij?
a)
denken
b)
dorst hebben
c)
honger hebben
d)
dromen
3.
Wat zie je hier?
a)
de limonade
b)
de cola
c)
de pillen
d)
de hoestdrank
4.
Zij is aan het .....
a)
blazen
b)
hoesten
c)
husten
d)
lachen
5.
Ik heb
a)
hoofdpijn
b)
buikpijn
c)
oorpijn
d)
keelpijn
6.
Ik heb
a)
slaap
b)
koorts
c)
kroots
d)
pijn
7.
Dit is....
a)
de lepel
b)
het mes
c)
de meetlat
d)
de thermometer
8.
Dit is....
a)
het water
b)
de lugt
c)
de chult
d)
de lucht
9.
Hatsjie...ik moet .....
a)
niezen
b)
neizen
c)
hoesten
d)
kuchen
10.
De neus...
a)
slijpen
b)
wassen
c)
snuiten
d)
sneuten
11.
Hij is aan het....
a)
slapen
b)
zwemmen
c)
dromen
d)
vliegen
12.
Dit is ......
a)
het voorhoofd
b)
het achterhoofd
c)
de keel
d)
de borst
13.
Dit is ......
a)
In slaap vallen
b)
wakker worden
c)
dorst hebben
d)
honger hebben
14.
Dit is ......
a)
denken
b)
rennen
c)
zweten
d)
zwetten
15.
de hoestdrank .....
a)
drinken
b)
innemen
c)
kauwen
d)
uitspugen
16.
Dit is ......
a)
de winkel
b)
het restaurant
c)
de apotheek
d)
de bakker
17.
Bezet betekent
a)
Er is niemand
b)
Er zijn geen mensen
c)
Er zit iemand
d)
Het is vrij
18.
Hij is
a)
verdrietig
b)
boos
c)
ziek
d)
blij
19.
De bal...
a)
aaien
b)
gooien
c)
lopen
d)
schieten
20.
Dit is ...
a)
de dokter
b)
de bakker
c)
de docent
d)
de directeur
21.
Makin maakt een...
a)
wedstrijd
b)
een scheidsrechter
c)
een doelpunt
d)
een klap
22.
De les ......... 50 minuten
a)
loopt
b)
gaat
c)
tijd
d)
duurt
23.
Dit is .....
a)
De fles
b)
Het glas
c)
De beker
d)
Het pak
24.
Hij is aan het ....
a)
zingen
b)
lopen
c)
rennen
d)
fluiten
25.
Dit is ...
a)
de keuken
b)
het doel
c)
het dul
d)
het toel
26.
Het voetbalteam is ook..
a)
het tiental
b)
het elftal
c)
het twaalftal
d)
het negental
27.
Ik ben iets...
a)
rennen
b)
zweten
c)
vergeten
d)
denken
28.
Hij is aan het
a)
fluiten
b)
zingen
c)
innemen
d)
klappen
29.
Dit is ..
a)
de vork
b)
de lepel
c)
het mes
d)
de zaag
30.
De pijl wijst naar
a)
links
b)
rechts
31.
Zij is aan het
a)
zingen
b)
fluiten
c)
kruipen
d)
rennen
32.
Hij is aan het ....
a)
praten
b)
roepen
c)
lopen
d)
zingen
33.
Dit is de ...
a)
dokter
b)
bakker
c)
scheidsrechter
d)
voetballer
34.
Hij is aan het
a)
schoppen
b)
scheppen
c)
schippen
d)
schuppen
35.
Niet lang, maar.....
a)
dik
b)
jong
c)
links
d)
kort
36.
Ik heb het goed gedaan. Ik ben..
a)
trots
b)
verdrietig
c)
boos
d)
bang
37.
De wc is vrij. Op de wc zit..
a)
een jongen
b)
een meisje
c)
een man
d)
niemand
38.
Hier zie je een
a)
zwemles
b)
wedstrijd
c)
les
d)
training
39.
Hij is heel
a)
verdrietig
b)
vrolijk
c)
bang
d)
boos
40.
De wedstrijd is niet verloren, maar....
a)
kwijt
b)
gestopt
c)
gewonnen
d)
bezig
100 %
