WorksheetsWoorden 1, 2 en 3
Total questions: 20
Worksheet time: 15mins
Name
Class
Date
1.
Wat zie je?
a)
onderstrepen
b)
aankruisen
c)
aanwijzen
2.
Welke kant is dit?
a)
Links
b)
rechts
3.
Waar eet je in de pauze?
a)
in de kast
b)
in de straat
c)
in het lokaal
d)
in de kantine
4.
Welke woord is hetzelfde?
beginnen
beginnen
a)
afsluiten
b)
kijken
c)
starten
d)
stoppen
5.
Je ogen gebruiken.
a)
kijken
b)
vragen
c)
tellen
6.
Welk woord is een zelfstandig naamwoord?
a)
binnenkomen
b)
maken
c)
het potlood
d)
draaien
7.
Welke woord staat in het meervoud?
a)
de wijzers
b)
de klok
c)
de vinger
d)
de naam
8.
Wat zie je?
a)
zitten
b)
beneden
c)
links
d)
boven
9.
Wat doet deze leerlingen?
a)
Zijn boek lezen
b)
Zijn naam schrijven
c)
Zijn vinger opsteken
d)
De lerares helpen
10.
Wie is dit?
a)
De leerling
b)
De leraar
c)
De lerares
d)
De conciërge
11.
Wat is hetzelfde als dichtdoen?
a)
sluiten
b)
aanwijzen
c)
binnenkomen
12.
Hoe laat is het op deze klok?
a)
10 over 8
b)
10 voor 9
c)
10 over 9
d)
5 over 8
13.
Wat doet deze leerling?
a)
het woord onderstrepen
b)
het woord aankruisen
c)
het woord schrijven
d)
het woord leren
14.
Wat is het tegenovergestelde woord van vragen?
a)
stoppen
b)
tellen
c)
antwoorden
15.
Elke hand heeft vijf .........
a)
ramen
b)
klokken
c)
vingers
d)
ogen
16.
Wat doet deze leerling?
a)
schrijven
b)
opstaan
c)
lopen
d)
lezen
17.
Welke woord is een werkwoord?
a)
het cijfer
b)
kijken
c)
de toets
d)
rechts
18.
Zo plaatsen dat het plat ligt
a)
draaien
b)
invullen
c)
leggen
19.
Wat is het meervoud van de straat?
a)
de straten
b)
de straaten
20.
Wat is hetzelfde als de oefening?
a)
de toets
b)
de les
c)
de deur
d)
de opdracht
100 %
