WorksheetsGrammatica H1 en 2
Total questions: 15
Worksheet time: 8mins
Name
Class
Date
1.
Zoek de pv:
Bij biologie zitten we op de eerste rij.
a)
we
b)
biologie
c)
zitten
d)
rij
2.
Zoek het onderwerp:
Ik speelde gisteren urenlang games op de computer.
a)
speelde
b)
ik
c)
games
d)
op de computer
3.
zoek het onderwerp:
De veiligheidsdienst heeft het deze dagen heel druk.
a)
deze dagen
b)
de veiligheidsdienst
c)
heeft
d)
heeft druk
4.
Als het werkwoordelijk gezegde uit een woord bestaat, welk zinsdeel is dat dan?
a)
onderwerp
b)
voltooid deelwoord
c)
werkwoord
d)
persoonsvorm
5.
Wat is het wg? Julia probeert niet zo hard te praten.
a)
probeert
b)
probeert te praten
c)
Julia
d)
zo hard
6.
Benoem het lv.
De winnaar kocht meteen een nieuwe Porsche.
De winnaar kocht meteen een nieuwe Porsche.
a)
de winnaar
b)
een nieuwe Porsche
c)
kocht
d)
meteen
7.
Benoem het lv.
Gisteren heb ik een cadeautje gekocht voor mijn vriendin.
Gisteren heb ik een cadeautje gekocht voor mijn vriendin.
a)
voor mijn vriendin
b)
ik
c)
gisteren
d)
een cadeautje
8.
Benoem het lv.
Vorig seizoen heb ik twee paar sportschoenen versleten.
Vorig seizoen heb ik twee paar sportschoenen versleten.
a)
ik
b)
heb versleten
c)
twee paar sportschoenen
d)
vorig seizoen
9.
Met welke vraag vind je het meewerkend voorwerp?
a)
Bij wie ?
b)
Aan wie?
c)
Naast wie
d)
Onder wie?
10.
In iedere zin staat een meewerkend voorwerp!
Deze uitspraak is:
Deze uitspraak is:
a)
Soms waar
b)
Nooit waar
c)
Altijd waar
d)
Regelmatig waar
11.
Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin.
De oppasser in Blijdorp geeft dagelijks aan zijn olifanten 50 kilo bananen.
De oppasser in Blijdorp geeft dagelijks aan zijn olifanten 50 kilo bananen.
a)
De oppasser
b)
aan zijn olifanten
c)
50 kilo bananen
d)
(staat er niet in)
12.
Benoem het gekleurde gedeelte: De medewerker van de webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.
a)
werkwoordelijk gezegde
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
13.
Benoem het gekleurde gedeelte: De webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.
a)
werkwoordelijk gezegde
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
14.
Benoem het gekleurde gedeelte: De webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.
a)
persoonsvorm
b)
onderwerp
c)
lijdend voorwerp
d)
meewerkend voorwerp
15.
Wat is het onderwerp? Meneer Huijnen heeft klas R2MG een bijzondere tekenopdracht gegeven.
a)
Meneer Huijnen
b)
heeft gegeven
c)
klas R2MG
d)
een bijzondere tekenopdracht
100 %
