WorksheetsPlaatsbepaling op aarde
Total questions: 12
Worksheet time: 6mins
Name
Class
Date
1.
De breedtegraden zeggen hoe ver een plaats verwijderd is van een pool.
a)
fout
b)
goed
2.
Ligt een plaats dicht bij de evenaar (b.v. op 10 of 20 graden ) dan zeggen we dat deze plaats op lage breedte ligt.
a)
fout
b)
goed
3.
Alle meridianen ( lengtegraden)zijn even lang.
a)
fout
b)
goed
4.
De punten die op dezelfde meridiaan liggen , hebben dezelfde breedte.
a)
fout
b)
goed
5.
De afstand tussen de breedtecirkels is niet overal even groot.
a)
fout
b)
goed
6.
Van de nulmeridiaan af kun je 180 graden naar het oosten en 180 graden naar het westen.
a)
fout
b)
goed
7.
Alle parallellen ( breedtegraden) lopen N-Z .
a)
fout
b)
goed
8.
De meridiaan van 180 OL is dezelfde als die van 180 graden WL.
a)
fout
b)
goed
9.
Van af de evenaar , die op 0 graden ligt ,kun je maximaal 90 graden naar het noorden (NB) en maximaal 90 graden naar het zuiden (ZB).
a)
fout
b)
goed
10.
Op 90 graden noorderbreedte ligt de Zuidpool .
a)
fout
b)
goed
11.
New York 40 NB,73 WL ligt op lage breedte.
a)
fout
b)
goed
12.
Warschau 52NB, 21OL ligt verder van de evenaar dan Bergen 61NB ,5OL.
a)
fout
b)
goed
100 %
