NEW
Font size
S
M
L
XL
Worksheetswoorden 4
Total questions: 20
Worksheet time: 12mins
Name
Class
Date
1.
Dit is ....
a)
de familie
b)
het gezin
c)
de ouders
2.
Lijken op elkaar =
a)
opsteken
b)
leven
c)
hetzelfde eruit zien
3.
Wat is het werkwoord in deze zin?
Het gezin woont in een huis.
Het gezin woont in een huis.
a)
Het gezin
b)
woont
c)
een huis
4.
een opa is ....
a)
oud
b)
jong
5.
de vriendin=
a)
een jongen die je aardig vindt.
b)
de zus van jouw moeder of vader
c)
een meisje die je aardig vindt.
d)
de broer van jouw vader of moeder
6.
Hoe gaat het met jou?
a)
Is een vraag.
b)
Is een zin.
7.
van geboorte tot de dood =
a)
wonen
b)
leven
c)
brengen
8.
Wat is een zelfstandig naamwoord?
a)
de oom
b)
leven
c)
wonen
9.
Brengen=
a)
opsteken
b)
leven
c)
afgeven
d)
wonen
10.
De tante =
a)
de broer van jouw vader of moeder
b)
meisje of vrouw die je kind is
c)
de zus van jouw vader of moeder
d)
jongen of man die je kind is
11.
Dit is ....
a)
de zus
b)
de broer
c)
de oom
d)
de tante
12.
Zij =
a)
de man
b)
de lerares
c)
de jongen
d)
de meester
13.
kiezen
a)
uitzoeken (dit of dat)
b)
je vinger omhoog houden
c)
van geboorte tot de dood
14.
Hij=
a)
de zoon
b)
de moeder
c)
de tante
d)
de lerares
15.
Wat is het tegenovergestelde woord van
de vader
de vader
a)
de tante
b)
de moeder
c)
de dochter
d)
de vriendin
16.
Is dit een goede zin?
De man loopt in de stad.
De man loopt in de stad.
a)
Ja
b)
Nee
17.
Dit zijn
a)
de familie
b)
het gezin
c)
de ouders
18.
Wat is het meervoud van de vriendin?
a)
De vriendinen
b)
De vriendinnen
c)
De vriendins
19.
Hoe maak je een goede zin?
a)
Wie/wat + waar + doet?
b)
Wie/wat+ doet + waar.
c)
Doet + wie/wat + waar.
20.
Wij leven
a)
ik lev
b)
ik leef
c)
ik leev
Reset
