wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4m SE2

Total questions: 38

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.
Welke stoffen komen uiteindelijk in je endeldarm terecht?
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Vezels
2.
Hier worden de koolhydraten opgenomen?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
3.
Hier wordt de voedselbrij ingedikt.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
4.
Hoe gebruik je de schijf van vijf?
a)
Die zegt wat je MOET eten.
b)
Dit geeft je advies over gezonde voeding
c)
Het is een grote onzin
5.
1 glas melk bevat 150 mlHoeveel gram calcium krijg je binnen met 3 glazen melk?
a)
600 g
b)
0,6 g
c)
900 g
d)
0,9 g
6.
Wat is de functie van bouwstoffen
a)
Groei, ontwikkeling en herstel
b)
Verbranding
c)
Vernieuwing
7.
Welke ziekte kan iemand krijgen als hij/zij te weinig van het mineraal ijzer binnenkrijgt?
a)
Obesitas
b)
Longontsteking
c)
Diabetes type I
d)
Bloedarmoede
8.
Welke stoffen zijn brandstoffen?
a)
Water, vetten en  eiwitten
b)
Koolhydraten, vetten en eiwitten
c)
Vitaminen, mineralen en zouten
9.
De poortader is zuurstof rijk en bevat veel voedingsstoffen
a)
waar
b)
niet waar
10.
Een functie van de maag is het doden van bacterien. 
a)
juist, Dit komt door het maagzuur 
b)
onjuist. De maag verteerd alleen eiwitten 
c)
juist, Dit komt door het speeksel dat alle bacterien al gedood heeft
11.
Welke stoffen moeten verteerd worden?
a)
vetten, water, mineralen en eiwitten
b)
koolhydraten, vetten en water
c)
koolhydraten, vetten, eiwitten
d)
koolhydraten, vetten, eiwitten en vitamines
12.
Welk mineraal is belangrijk voor het aanmaken van rode bloedcellen?
a)
magnesium
b)
ijzer
c)
staal
d)
brons
13.
Welk nummer geeft de poortader aan?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
14.
Enkele beweringen over gal:
1) Gal bevat enzymen voor de vetvertering
2) Gal verdeelt grote vetdruppeltjes in kleinere vetdruppeltjes
3) Gal wordt gemaakt in de lever
Welke beweringen is/zijn juist?
a)
1,2
b)
2,3
c)
3,1
d)
2
15.
Noem 3 aandoeningen aan de luchtwegen?
a)
Koorts, oorontsteking en tandpijn
b)
Bronchitus, ASTMA en COPD
16.
Wat vindt er plaats tussen de longblaasjes en de longhaarvaten? 
a)
Luchtuitwisseling
b)
Gasuitwisseling
c)
Longuitwisseling
d)
Bloeduitwisseling
17.
Wat is waar?
a)
Zuurstof gaat vanuit de lucht in de longblaasjes naar het bloed in de long haarvaten
b)
Bloed gaat vanuit de lucht in de longvaatjes naar het bloed in de longblaasjes
18.
Hoe heet de stof in een sigaret die een verslavende werking heeft?
a)
Nicotine
b)
Koolstofioxide
c)
Zuurstof
d)
Teer
19.
Waar heeft iemand met Astma last van?
a)
Ontstoken luchtwegen waarvan het slijmvlies dikker is
b)
Ontstoken luchtwegen waarvan het middenrif dikker is
20.

Waarom ga je sneller ademhalen als je gaat sporten?

a)

Je gaat sneller ademhalen omdat er meer verbranding is in de cellen, waar ook meer zuurstof voor nodig is.

b)

Je gaat sneller ademhalen omdat er minder verbranding is in de cellen, waar ook meer zuurstof voor nodig is.

c)

Je gaat sneller ademhalen omdat er meer verbranding is in de cellen, waar ook meer koolstofdioxide voor nodig is.

d)

Je gaat sneller ademhalen omdat er minder verbranding is in de cellen, waar ook meer koolstofdioxide voor nodig is.

21.
Door te roken krijg je koolstofmono-oxide in je bloed.
Hierdoor kan je lichaam minder goed zuurstof vervoeren en zal je conditie afnemen.
a)
Juist
b)
Onjuist
22.
dieren met een constante lichaamstemperatuur hebben meer voedsel nodig, omdat
a)
ze over het algemeen meet bewegen 
b)
ze een grotere maag hebben
c)
ze hun licaamstemperatuur op pijl moeten houden
d)
ze vaak groter zijn
23.
Iemand heeft longontsteking hiertegen medicijnen. Via welke weg komen de geslikte medicijnen, na opnamen in het bloed, in de cellen van de longen terecht?
a)
Via de grote en de kleine bloedsomloop
b)
alleen via de kleine bloedsomloop
c)
Alleen via de grote bloedsomloop
d)
Niet via de kleine en via de grote bloedsomloop
24.
Bij astma krijg je het idee dat je stikt, omdat
a)
de gaswisselingsoppervlakte wordt verkleind
b)
de longen kleiner worden 
25.
Het bloed in bloedvat C heeft
a)
een hoge bloeddruk
b)
een lage bloeddruk
26.
Bloedvat B brengt het bloed
a)
van het hart af
b)
naar het hart toe
27.
Je rechterboezem en rechterkamer zijn...
a)
zuurstofarm
b)
zuurstofrijk
28.
Bloed bestaat uit:
a)
bloedplasma met daarin veel rode bloedcellen
b)
bloedplasma met daarin veel witte bloedcellen
c)
bloedcellen en bloedplaatjes
d)
bloedplasma en bloedplaatje
29.
Rode bloedcellen vervoeren zuurstof met behulp van...
a)
witte bloedcellen
b)
bloedplasma
c)
hemoglobine
d)
glucose
30.
Wat is een ander woord voor inenten?
a)
Vaccineren
b)
Weerstand
c)
Immuunsysteem
31.
Wat zit er in een vaccin?
a)
Medicijnen
b)
Antistoffen
c)
Verzwakte ziekteverwekkers
d)
Goede bacteriën
32.
Wie kan aan wie geven en ontvangen
a)
A  --> C
b)
A --> AB
c)
B --> A
33.
Welke combinatie is veilig?
a)
donor bloedgroep B en ontvanger bloedgroep A
b)
donor bloedgroep O en ontvanger bloedgroep A
c)
donor bloedgroep A en ontvanger bloedgroep B
d)
donor bloedgroep A en ontvanger bloedgroep O
34.
Op het celmembraan van de rode bloedcel van iemand met bloedgroep A bevindt zich: 
a)
Antistof A
b)
Antistof B
c)
Antigeen A
d)
Antigeen B
35.
Wat in het lichaam produceert insuline en glucagon?
a)
De hersenen
b)
De lever
c)
De alvleesklier
d)
De maag
36.
Waarom krijg je een serum?
a)
Omdat je niet kunt wachten op je eigen afweerstoffen
b)
Om een ziekte te voorkomen
37.
Wat krijg je toegediend bij een vaccin?
a)
De dode/verzwakte ziekteverwekker
b)
Kant en klare afweerstoffen
38.
Wat krijg je toegediend bij een serum?
a)
De dode/verzwakte ziekteverwekker
b)
Kant en klare afweerstoffen