wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3GT H3 wdschat NN

Total questions: 36

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.
Wat betekent 'overeenkomen?'
a)
afspreken
b)
hetzelfde
2.
Wat betekent 'cruciaal?'
a)
doorslaggevend, van groot belang
b)
niet verplicht
c)
eerlijk
3.
Wat betekent 'iemand in de gelegenheid stellen?'
a)
overleggen met
b)
iemand de mogelijkheid geven
4.
reeds
a)
ook
b)
steeds
c)
al
5.
vordert
a)
gaat
b)
opschieten
c)
voorgaan
6.
beperkt
a)
maximaal
b)
minimaal
c)
tot een bepaalde hoeveelheid
d)
ongeveer
7.
ondervinden
a)
vinden
b)
weten
c)
opzoeken
d)
ervaren
8.
hinder
a)
overlast
b)
aanraken
9.
betreffende
a)
over
b)
heeft te maken met
10.
present
a)
cadeau
b)
aanwezig
c)

beide antwoorden zijn goed

11.
ongeregeldheden
a)
niet geregeld
b)
afgesproken
c)
relletjes
12.
Wat is het tegengestelde van 'permanent?'
a)
tijdelijk
b)
blijvend
c)
soms
13.
te allen tijde
a)
tegenwoordige tijd
b)
zo af en toe
c)
altijd
14.
verscheidene
a)
verschillende
b)
scheiden
15.
overmaken
a)
opnieuw doen
b)
geld sturen
16.
opleveren
a)
opbrengen
b)
bezorgen
c)
meenemen
17.
helder
a)
troebel
b)
duidelijk
18.
branches
a)
verschillende bedrijven
b)
verzamelingen
19.
tegengestelde van 'passief?'
a)
afwachtend
b)
actief
20.
een warm hart toedragen
a)
het beste voor hebben met...
b)
fan zijn van...
21.
ongecompliceerd
a)
ingewikkeld
b)
eenvoudig
c)
complex
22.
secuur
a)
ongeveer
b)
onnauwkeurig
c)
nauwkeurig
23.
rendement
a)
winst
b)
opbrengst
c)
verlies
24.
in de soep lopen
a)
rommel maken
b)
mislukken
c)
door een plas soep lopen
25.
in de soep lopen
a)
rommel maken
b)
mislukken
c)
door een plas soep lopen
26.
je ogen goed de kost geven 
a)
ogen druppelen
b)
goed rondkijken
27.
je mond voorbij praten
a)
doorvertellen
b)
aan een stuk door praten
28.
je uit het veld laten slaan
a)
vechten
b)
je van je stuk laten brengen
c)
grond verliezen
29.
in je oren knopen
a)
goed onthouden
b)
leren
30.
je schaapjes op het droge hebben
a)
schapen bij hoog water verplaatsen
b)
genoeg geld hebben om niet te hoeven werken
31.
in gebreke blijven
a)
tekortschieten
b)
iets breken
c)
het niet weten
32.
in gebreke blijven
a)
tekortschieten
b)
iets breken
c)
het niet weten
33.
uitsluitend
a)
uitzondering
b)
allemaal
c)
alleen
d)
gaat weg
34.
uitsluitend
a)
uitzondering
b)
allemaal
c)
alleen
d)
gaat weg
35.
het besef
a)
inzicht
b)
realiseren
c)
beloven
36.
functie
a)
bedoeling en beroep
b)
bedoeling
c)
beroep