Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica woordsoorten

Total questions: 26

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.
De lidwoorden de, het en een bestaan uit bepaalde lidwoorden en onbepaalde lidwoorden.
a)
Juist
b)
Onjuist
2.
Een eigennaam zoals ''Jan'' is een ...
a)
Bijvoeglijk naamwoord
b)
Bijwoord
c)
Zelfstandig naamwoord
d)
Werkwoord
3.
Een zelfstandig naamwoord is een woord voor: mens, dier, plant, ding of gevoel.
a)
Correct
b)
Incorrect
4.
Tussen een lidwoord en een zelfstandig naamwoord kan er een bijvoeglijk naamwoord staan.
a)
Juist
b)
Onjuist
5.
Het lidwoord ''een'' is een bepaald lidwoord
a)
Juist
b)
Onjuist
6.
De lidwoorden ''de'' en ''het'' zijn allebei een bepaald lidwoord.
a)
Juist
b)
Onjuist
7.
''Johan heeft de ...... televisie kapot gemaakt.''
Wat kan je op de plaats van de puntjes invullen?
a)
Werkwoord
b)
Bijvoeglijk naamwoord
c)
Voorzetsel
d)
Aanwijzend voornaamwoord
8.
Een ..... zegt wat iets of iemand doet of overkomt.
a)
Aanwijzend voornaamwoord
b)
Bijvoeglijk naamwoord
c)
Werkwoord
d)
Zelfstandig naamwoord
9.
''Maria schrijft het huiswerk van Pieter over.''
Het werkwoord in deze zin is:
a)
schrijft
b)
schrijft over
10.
''De leraar belde vorige week mijn ouders op.''
Het woordje ''op'' in de zin is een voorzetsel
a)
Juist
b)
Onjuist
11.
Bijvoeglijk naamwoorden kunnen ook achter een zelfstandig naamwoord staan.
a)
Juist
b)
Onjuist
12.
''De auto van Jan is duur.''
Het woordje duur in de zin is een:
a)
Werkwoord
b)
Bijwoord
c)
Zelfstandig naamwoord
d)
Bijvoeglijk naamwoord
13.
Bijvoeglijk naamwoorden zeggen iets over een:
a)
Voorzetsel
b)
Werkwoord
c)
Zelfstandig naamwoord
d)
Bijwoord
14.
De woorden: deze, die, dit, dat, zulk(e), zo'n en dergelijk(e) zijn ....
a)
Voorzetsels
b)
Aanwijzend voornaamwoorden
c)
Bijwoorden
d)
Bijvoeglijk naamwoorden
15.
''Dit boek is veel spannender dan dat.''
Welke aanwijzend voornaamwoorden kan je vinden in de vorige zin?
a)
Dit
b)
Dat
c)
Dit & Dat
d)
Geen
16.
Vragende voornaamwoorden zijn: wie, wat, welk(e), wat voor (een).
a)
Juist
b)
Onjuist
17.
''Hij vroeg wat ik in het restaurant had besteld.''
Wat voor een woord is ''wat''?
a)
Voorzetsel
b)
Aanwijzend voornaamwoord
c)
Zelfstandig voornaamwoord
d)
Vragend voornaamwoord
18.
''Waarom, waarheen en hoe'' zijn geen vragend voornaamwoorden.
a)
Juist
b)
Onjuist
19.
Voorzetsels gebruik je altijd in combinatie met een ander woord.
a)
Juist
b)
Onjuist
20.
''Morgen gaan we naar het zwembad.''
Wat voor een woord is ''morgen'' in de vorige zin?
a)
Bijvoeglijk naamwoord
b)
Zelfstandig naamwoord
c)
Bijwoord
d)
Aanwijzend voornaamwoord
21.
''Ik heb de toets niet slecht gemaakt!''
Wat voor en woord is ''niet'' in de vorige zin?
a)
Zelfstandig naamwoord
b)
Voorzetsel
c)
Vragend voornaamwoord
d)
Bijwoord
22.
''Het gouden horloge van Stefan is gesloten.''
Het woord ''gouden'' is een ...
a)
werkwoord
b)
voorzetsel
c)
bijvoeglijk naamwoord
d)
stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
23.
''Die gestoorde man liep op mijn auto.''
De woorden ''die'' en ''op'' zijn:
a)
Werkwoord & zelfstandig naamwoord
b)
Bijvoeglijk naamwoord & voorzetsel
c)
Aanwijzend voornaamwoord & voorzetsel
d)
Aanwijzend voornaamwoord & bijwoord
24.
Mijn telefoon zit nog in mijn kluisje.''
Het woord ''in'' is een ...
a)
Vragend voornaamwoord
b)
Bijwoord
c)
Zelfstandig naamwoord
d)
Voorzetsel
25.
''De leerling werkt goed aan de opdracht.''
Wat voor een woord is ''goed''?
a)
Bijwoord
b)
Zelfstandig naamwoord
c)
Aanwijzend voornaamwoord
d)
Bijvoeglijk voornaamwoord
26.
Een bijwoord zegt iets over: plaats, tijd, reden, hoedanigheid, (on)zekerheid, tegenstelling en ontkenning. Het zijn vaak losse zinsdelen in de zin.
a)
Juist
b)
Onjuist