wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica en Spelling H.4

Total questions: 44

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.
Ik ... mijn familie elke week.
a)
bezoek
b)
bezoekt
2.
Rachida ... de fiets.
a)
repareert
b)
repareer
3.
Jij... lekkere koekjes.
a)
bakt
b)
bak
4.
Boris ... graag.
a)
zwemt
b)
zwemmen
5.
Youp heeft nog niet gehuil___
a)
d
b)
t
c)
en
d)
dt
6.
Voltooid deelwoord van "gaan"
a)
gingen
b)
geganen
c)
gegaan
d)
gegaat
7.
De hij-vorm van 'kunnen' in vt
a)
kunde
b)
kon
c)
kunte
d)
konde
8.
Ik brandt mijn vingers aan de pan.
a)
Goed
b)
Fout
9.
Voltooid deelwoord van 'werken'
a)
gewerken
b)
gewerkd
c)
gewerkt
d)
geworken
10.
Ik surv
a)
goed
b)
fout
11.
Opa en oma .......... een groot huis.
a)
hebben
b)
heben
c)
heeft
d)
heb
12.
............. jij ziek?
a)
is
b)
ben
c)
zijn
d)
bent
13.
Een woord dat je kunt doen of wat gebeurt is een...?
a)
lidwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
voorzetzel
d)
werkwoord
14.
Welk woord is een werkwoord?
a)
hond
b)
van
c)
zitten
d)
de
15.
Welk woord is een werkwoord?
a)
fiets
b)
gaan
c)
in
d)
het
16.
Vul de juiste vorm van het werkwoord in.
Hij ......................... op straat.
a)
loopt
b)
loop
c)
lopen
d)
gelopen
17.
Staat deze zin in de tegenwoordige tijd of de verleden tijd.
Willem lachte het hartst om de grap.
a)
Tegenwoordige tijd
b)
Verleden tijd
18.
Staat deze zin in de tegenwoordige tijd of de verleden tijd.
Jullie hebben alle vragen goed!
a)
Tegenwoordige tijd
b)
Verleden tijd
19.
Wat is de verleden tijd van zwemmen?
a)
zwemden
b)
zwemten
c)
zwiemen
d)
zwommen
20.
Wat is de verleden tijd van helpen?
a)
helpten
b)
helpden
c)
hielpen
d)
hulpen
21.
Wat is de verleden tijd van drinken?
a)
drinkten
b)
drinkden
c)
dranken
d)
dronken
22.
Wat is de verleden tijd van worden?
a)
wordden
b)
werden
c)
wierden
d)
waarden
23.
Wat is de verleden tijd van mogen?
a)
magen
b)
megen
c)
mochten
d)
mogten
24.
Wat is het hele werkwoord in deze zin?
De directeur bewondert Rafael.
a)
bewondert
b)
bewonder
c)
bewonderen
d)
bewonderde
25.
Wat is het hele werkwoord in deze zin?
Hij voetbalt zelf ook graag.
a)
voetbalt
b)
voetbal
c)
voetballen
d)
voetbalde
26.
Zit dit werkwoord in 't kofschip X?
voetballen
a)
ja
b)
nee
27.
Zit dit werkwoord in 't kofschip X?
gebeuren
a)
ja
b)
nee
28.
Zit dit werkwoord in 't kofschip X?
knippen
a)
ja
b)
nee
29.
Wat krijg je als een werkwoord in 't kofschip zit?
a)
+te of +ten
b)
+de of +den 
c)
+te
d)
+de
30.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Wij vieren vandaag de verjaardag van juf.
a)
vierden
b)
vieren
c)
vierde
d)
vierten
31.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
's Nachts droom ik van een heerlijke vakantie.
a)
droom
b)
droomde
c)
droomte
d)
droomden
32.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Marieke fluistert iets in mijn oor.
a)
fluistert
b)
fluisteren
c)
fluisterde
d)
fluisterte
33.
Welke van de onderstaande werkwoorden is een sterk werkwoord?
a)
Lachen
b)
Fietsen
c)
Maken
d)
Lopen
34.
Hoe maak je de stam van een werkwoord?
a)
-en van het hele werkwoord afhalen
b)
het taxikofschip gebruiken
c)
Het werkwoord langer te maken
d)
Het werkwoord vooraan de zin te zetten
35.
Is de persoonsvorm vt goed gespeld in de onderstaande zin?
"Vorige week verhuiste ik naar Amsterdam."
a)
Ja
b)
Nee 
c)
Er staat geen persoonsvorm in de zin
d)
Verhuiste en verhuisde mag allebei
36.
Hoe noemen we werkwoorden die in de verleden tijd veranderen van klank?
a)
Sterke werkwoorden
b)
Zwakke werkwoorden
c)
Stomme werkwoorden
d)
Krachtige werkwoorden
37.
Hoe controleer je of een woord een zelfstandig naamwoord is?
a)
Daar moet je goed over nadenken
b)
Je kunt er 'de' of 'het' voor zetten
c)
Het is iets dat je kunt doen
d)
Het is altijd een ding
38.
Welk van deze woorden is een werkwoord?
a)
de voetballer
b)
voetballen
c)
de voetbal
d)
de fietsen
39.
Hoeveel lidwoorden zijn er.
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
40.
Een zelfstandig naamwoord is bijvoorbeeld
a)
Boom en vis
b)
Voetballen en fietser
c)
Zes en de
41.
Benoem de woordsoort:
We hebben geen geld
a)
werkwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
bijvoeglijk naamwoord
d)
voornaamwoord
42.
Wat is geen werkwoord?
a)
Houden
b)
onderzoeken
c)
verbeteren
d)
minimaal
43.
Welk woord is een zelfstandig naamwoord?
a)
De ingang
b)
Minimaal
c)
Verplichten
d)
Uitzoeken
44.
Ik weet nu alles van Grammatica en Spelling H.4.
a)
Ja
b)
Nee