wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Frappant 1: Herhalingsquiz examen 3 (deel 5, 6, les 34 deel 7)

Total questions: 100

Worksheet time: 1hrs 9mins

Name
Class
Date
1.

Zet de infinitief in de verleden tijd.

De politie ....(ontmaskeren) vorige week de dief.

a)

ontmaskerden

b)

ontmaskerte

c)

ontmaskerde

d)

ontmaskerdde

2.

Zet de infinitief in de verleden tijd.

Glenn en Daryl ... (reizen) naar een andere stad

a)

reisden

b)

reisten

c)

rezen

d)

reizden

3.

Zet de infinitief in de verleden tijd.

Mijn moeder ... (kaften) vorig jaar al mijn boeken voor mij.

a)

kafte

b)

kaftte

c)

kafde

d)

kaftde

4.

Zet de infinitief in de verleden tijd.

De schoonmaaksters ... (stofzuigen) het vieze lokaal.

a)

stofzuigde

b)

stofzoog

c)

sofzuigte

d)

stofzuigden

5.

Zet de infinitief in de verleden tijd.

Jochem ... (verven) het hele huis vorig jaar in de zomer.

a)

vervde

b)

vervte

c)

verfde

d)

verfte

6.

Zet de infinitief in de verleden tijd.

Gelukkig ... (komen) we juist op tijd.

a)

kwamen

b)

komden

c)

kwamden

d)

kamen

7.

Zet de infinitief in de verleden tijd.

Toen moeder riep, ... (haasten) we ons naar huis.

a)

haasten

b)

haastten

c)

hiesten

d)

heesten

8.

Zet de infinitief in de verleden tijd.

Het ongehoorzame kind ... (durven) niet binnen komen.

a)

durvde

b)

dierf

c)

durfden

d)

durfde

9.

Zet de infinitief in de verleden tijd.

Het meisje ... (beantwoorden) die vraag ontzettend snel.

a)

beantwoorden

b)

beantwoordden

c)

beantwoordde

d)

beantwoorde

10.

Zet de infinitief in de verleden tijd.

De wrakstukken ... (drijven) naar de kust.

a)

dreven

b)

droven

c)

drijvden

d)

drijfden

11.

Zet de infinitief in de verleden tijd.

Het schip ... (dobberen) op de golven.

a)

dabberde

b)

dobberte

c)

dobberde

d)

dobberden

12.

Zet de infinitief in de verleden tijd.

Die auto ... (rijden) veel te hard door het centrum.

a)

reed

b)

reet

c)

reedt

d)

rijdde

13.

Zet de infinitief in de verleden tijd.

Ook slimme leerlingen ... (antwoorden) soms verkeerd.

a)

antwoorde

b)

antwoordde

c)

antwoorden

d)

antwoordden

14.

Duid de foute zin aan.

a)

Hij antwoordde mij onmiddellijk.

b)

Het knappe meisje leidde me naar het station.

c)

Waarom zei ze niets?

d)

Ze vraagde naar mijn naam.

15.
Hoe noem je het geluid van een aap?
a)
krijsen
b)
schreeuwen
c)
grommen
d)
blaffen
16.
Hoe noem je het geluid van een schaap?
a)
blaten
b)
briesen
c)
brullen
d)
balken
17.
Hoe noem je het geluid van een walvis?
a)
sissen
b)
zingen
c)
loeien
d)
snateren
18.
Hoe noem je het geluid van een eend?
a)
koeren
b)
kakelen
c)
snateren
d)
tjilpen
19.
Hoe noem je het geluid van een slang?
a)
briesen
b)
piepen
c)
tjilpen
d)
sissen
20.
Hoe noem je het geluid van een duif?
a)
koeren
b)
loeien
c)
tjilpen
d)
krijsen
21.
 Hoe noem je het geluid van een mus?
a)
koeren
b)
loeien
c)
tjilpen
d)
krijsen
22.
 Hoe noem je het geluid van een beer?
a)
brullen
b)
briesen
c)
knorren
d)
grommen
23.
 Hoe noem je het geluid van een olifant?
a)
zoemen
b)
snateren
c)
trompetteren
d)
hinniken
24.
Hoe noem je het geluid van een stier?
a)
balken
b)
brullen
c)
briesen
d)
blaffen
25.

Wat is het NWG?

Deze opgaven zijn voor mij te moeilijk.

a)

zijn moeilijk

b)

zijn te moeilijk

c)

zijn voor mij te moeilijk

d)

Geen NWG

26.

Wat is het naamwoordelijk deel?

Superfoods schijnen gezond voor je te zijn.

a)

gezond

b)

gezond te zijn

c)

gezond voor je te zijn

d)

schijnen gezond voor je te zijn

27.

Wat is het NWG?

Onze gymdocent wil superfit blijven.

a)

superfit

b)

wil superfit blijven

c)

wil superfit

d)

superfit blijven

28.

Wat is het NWG?

Wie van deze renners zou de beste sprinter zijn?

a)

zou de beste sprinter zijn

b)

de beste sprinter

c)

zou sprinter zijn

d)

zou zijn

29.

Heeft deze zin een NWG of WWG?

Volgens mij is Risk al jarenlang een populair bordspel.

a)

NWG

b)

WWG

30.

Heeft deze zin een NWG of WWG?

De nieuwe jongen uit onze klas kan heel goed basketballen.

a)

NWG

b)

WWG

31.

Wat is het NWG?

Sommige walvissoorten blijken knettergek te worden van windmolenparken op zee.

a)

blijken knettergek te worden

b)

blijken te worden

c)

knettergek

d)

Geen NWG

32.

Zoek het onderwerp in de zin.

De schapen van de buurman waren op hol geslagen.

a)

schapen

b)

De schapen

c)

de buurman

d)

De schapen van de buurman

33.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Ze legde haar hand op zijn hand.

a)

Ze

b)

legde

c)

haar hand

d)

zijn

34.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Welke resultaten kloppen echt?

a)

Welke

b)

resultaten

c)

welke resultaten

d)

kloppen

35.

Wat is het onderwerp?

Door veel te sporten maak je spieren aan.

a)

Door

b)

Door veel te sporten

c)

maak

d)

je

36.

Sofie is populair.

'is' is een...

a)

koppelwerkwoord

b)

hulpwerkwoord

c)

voltooid deelwoord

d)

infinitief

37.

Heeft deze zin een NWG of WWG?

Ze is nieuwsgierig.

a)

WWG

b)

NWG

38.

Heeft deze zin een NWG of WWG?

Hij wil me zijn dorp laten zien.

a)

WWG

b)

NWG

39.

Heeft deze zin een NWG of WWG?

Ik ben mijn koffers aan het inpakken.

a)

WWG

b)

NWG

40.

Heeft deze zin een NWG of WWG?

Wie kan ik nog bijschenken?

a)

WWG

b)

NWG

41.

Heeft deze zin een NWG of WWG?

Justin Bieber is populair geweest.

a)

WWG

b)

NWG

42.

Wat is het tekstdoel?

een recept voor appelcake

a)

informeren

b)

instructies geven

c)

overtuigen

d)

activeren

43.

Wat is het tekstdoel?

een artikel op Wikipedia over Antwerpen

a)

informeren

b)

activeren

c)

instructies geven

d)

overtuigen

44.

Wat is het tekstdoel?

een poster met verschillende argumenten waarom je beter water drinkt dan frisdrank

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

activeren

d)

amuseren

45.

Wat is het tekstdoel?

een reclameadvertentie voor de nieuwste film van James Bond

a)

activeren

b)

informeren

c)

instructies geven

d)

amuseren

46.

Wat is het tekstdoel?

een cartoon in de krant

a)

amuseren

b)

overtuigen

c)

activeren

d)

ontroeren

47.

Wat is het tekstdoel?

een bijsluiter van een medicijn waarin staat hoe je de pilletjes je moet nemen.

a)

instructies geven

b)

amuseren

c)

ontroeren

d)

activeren

48.

Wat is het tekstdoel?

In de kalender van de school staan alle activiteiten opgesomd van de komende maand.

a)

activeren

b)

amuseren

c)

informeren

d)

instructies geven

49.

Wat is het tekstdoel?

Van een familielid krijg je een uitnodiging om naar hun trouwfeest te komen.

a)

activeren

b)

instructies geven

c)

ontroeren

d)

amuseren

50.

Welk tekstdoel heeft een strip?

a)

informeren

b)

activeren

c)

instructies geven

d)

amuseren

51.

Het tekstdoel amuseren betekent dat de schrijver...

a)

... de lezer wil overhalen iets te doen.

b)

...de lezer informatie wil geven.

c)

...de lezer wil vermaken door iets boeiends, ontroerends of bijzonders te vertellen.

d)

...de lezer wil overtuigen van zijn mening.

52.

Welke tekstsoort is het boek Mathilda van Roald Dahl?

a)

Een informatieve tekst

b)

Een overtuigende tekst

c)

Een activerende tekst.

d)

Een ontspannende tekst

53.

In een folder van het Wereld Natuur Fonds staat de volgende tekst. Wat is het doel daarvan? Naar schatting leven er momenteel 3.800 oostelijke laaglandgorilla’s in DRC (Democratische Republiek Congo). Dat aantal geeft aan hoe ernstig de situatie is vergeleken met 1995 toen er naar schatting nog 17.000 oostelijke laaglandgorilla’s waren. Een daling van 77% in de laatste twintig jaar. De directe bedreiging komt van twee kanten: stroperij en mijnbouw.

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

activeren

d)

amuseren

54.

In dezelfde folder van het Wereld Natuur Fonds staat ook deze tekst. Wat is het tekstdoel? We kunnen met z’n allen echt iets doen! Bouw mee aan het opzetten van dorpsbossen waar gorilla’s worden beschermd door rangers. Draag bij aan hun training en materiaal, zodat zij stropers kunnen opsporen en arresteren.

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

activeren

d)

amuseren

55.

Geef een synoniem voor 'loensen'.

a)

stiekem kijken

b)

lang naar iets of iemand kijken

c)

snel lopen

d)

zien

56.

Verbeter deze zin door een ander werkwoord te gebruiken: "De leerlingen gaan naar school in de ochtend."

a)

marcheren

b)

schrijden

c)

slenteren

d)

mompelen

57.

Welk teksttype is dit?

a)

een agenda

b)

een verslag

c)

een verjaardagskaart

d)

een geboortekaartje

58.

Welk tekstdoel heeft het liedje van Ed Sheeran 'Perfect'?

a)

amuseren

b)

instructies geven

c)

activeren

d)

informeren

59.
Naar de IKEA gaan is leuk. Maar als je thuis komt met je spullen, begint het échte werk. Welke tekstsoort is een handleiding?
a)
Informatieve tekst
b)
Activerende tekst
c)
Instructieve tekst
d)
Ontspannende tekst
60.

Welk teksttype is dit?

a)

een artikel uit een tijdschrift

b)

een artikel uit een krant

c)

een lezersbrief

d)

een folder

61.

Philippe Geubels, een bekende komiek, houdt ervan om mensen in de kijker te zetten in zijn show 'Taboe'. Wat is hierbij het tekstdoel?

a)

amuseren

b)

overtuigen

c)

ontroeren

d)

activeren

62.

Je ziet de affiche van de film 'Oorlogswinter'. Welke tekstsoort is dit?

a)

een activerende tekst

b)

een emotieve tekst

c)

een ontspannende tekst

d)

een overtuigende tekst

63.

Wat is een 'loperwerkwoord'?

a)

Een werkwoord dat veel betekenis op zichzelf heeft.

b)

Een werkwoord dat weinig betekenis op zichzelf heeft.

64.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Die kaars heeft de hele nacht (branden).

a)

gebranden

b)

gebrand

c)

gebrandt

d)

gebrant

65.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

De trein is op tijd (vertrekken), hoor!

a)

vertrokken

b)

vertrekt

c)

vertrokt

d)

vertrokd

66.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Misschien is dat verband te strak om de wond (binden).

a)

gebind

b)

gebint

c)

gebonten

d)

gebonden

67.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Die twee meisjes hebben vanmiddag wel honderd kinderen (schminken).

a)

geschminkt

b)

geschminkd

c)

geschminken

d)

geschmonkt

68.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

De kat heeft gisteren alweer met de hond van de buren (vechten).

a)

gevecht

b)

gevochten

c)

gevochtten

d)

gevocht

69.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Die man heeft nog nooit werkelijk aandacht aan jou (besteden).

a)

besteedt

b)

besteed

c)

bestand

d)

bestied

70.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Heb je al (informeren) naar de mogelijkheid om te blijven slapen?

a)

geïnformeerd

b)

geïnformeert

c)

informeert

d)

informeerd

71.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Mijn moeder heeft gisteren het hele huis (stofzuigen).

a)

stofgezogen

b)

stof gezogen

c)

gestofzuigd

d)

gestofzuigt

72.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

De meeste kinderen zijn op het speelplein (achterblijven).

a)

achter gebleven

b)

achtergebleven

c)

achtergeblijfd

d)

achtergeblijft

73.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Je moeder heeft die vakantie toch (aanvragen)?

a)

aangevraagd

b)

aangevraagt

c)

aan gevraagt

d)

aan gevraagd

74.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Heb je die nieuwe show gisteren al (aankondigen)?

a)

aangekondigd

b)

aangekondigt

c)

aan gekondigd

d)

geaankondigd

75.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Hij is door die ijsregen helemaal (verkleumen).

a)

verkleumd

b)

verkleumt

c)

verklomen

d)

verkleumen

76.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Het heeft vorige week heel erg hard (regenen).

a)

geregent

b)

geregenen

c)

geregend

d)

regenen

77.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Dat heeft die winkelier wel erg aantrekkelijk (uitstallen).

a)

uitgestalld

b)

uitgestallt

c)

uitgestalt

d)

uitgestald

78.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Die bloemen hebben maar twee dagen (bloeien).

a)

gebloed

b)

gebloet

c)

gebloeid

d)

gebloeit

79.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Toen zij die vaas omstootte, heeft hij heel hard (schreeuwen).

a)

geschreeuwt

b)

geschreeuwd

c)

geschreeuwen

d)

geschroeid

80.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

De leeuw heeft twee antilopes (doden).

a)

gedoodt

b)

gedood

c)

gedoot

d)

gedoden

81.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Het was leuk geweest als je die planken had (afstoffen).

a)

afgestoft

b)

af gestoft

c)

afgestofd

d)

af gestofd

82.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Die mannen hebben het ventilatiesysteem (inspecteren).

a)

inspecteerd

b)

inspecteert

c)

geïnspecteert

d)

geïnspecteerd

83.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

De salade van gisteren is vandaag al helemaal (bederven).

a)

bederfd

b)

bederft

c)

bedierven

d)

bedorven

84.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Jannes heeft zijn vriendinnetje al drie keer (bedriegen).

a)

bedriegd

b)

bedriegt

c)

bedrogen

d)

bedreigd

85.

Wat is het correcte voltooide deelwoord?

Door de heftige sneeuwval heeft hij vanmorgen niet (surfen).

a)

gesurfdt

b)

gesurfen

c)

gesurfd

d)

gesurft

86.

Welk schooltaalwoord past bij deze omschrijving?

wat je meegemaakt hebt, een belevenis

a)

de ervaring

b)

het besluit

c)

het voorbeeld

d)

ervaren

87.

Welk schooltaalwoord past bij deze omschrijving?

Je geeft iemand ideeën of je krijgt ideeën van iemand of iets.

a)

voorstellen

b)

ervaren

c)

inspireren

d)

herhalen

88.

Wat is het synoniem voor 'conclusie'?

a)

de mening

b)

het besluit

c)

de verklaring

d)

het detail

89.

Welk schooltaalwoord past bij deze omschrijving?

een afgebakende tijd in de geschiedenis

a)

de kolom

b)

de verklaring

c)

de verspreiding

d)

de periode

90.

Welk woord is de tegengestelde betekenis van 'detail'?

a)

globaal

b)

onderstaand

c)

voorbeeld

d)

conclusie

91.

Welk schooltaalwoord past bij deze omschrijving?

Je verdeelt iets, je verplaatst iets.

a)

overtuigen

b)

regelmatig

c)

verspreiden

d)

ervaren

92.

Welk schooltaalwoord past bij deze omschrijving?

de vertoning van een film of toneelstuk

a)

de voorstelling

b)

de concentratie

c)

de herhaling

d)

de periode

93.

Welk schooltaalwoord past bij deze omschrijving?

je idee over iemand of iets, je opvatting

a)

het detail

b)

de mening

c)

de methode

d)

het voorbeeld

94.

Welke omschrijving hoort bij dit schooltaalwoord?

de concentratie

a)

de dosis/dichtheid van een bepaalde stof

b)

de ingeving, het idee

c)

de uitleg

d)

het uiteindelijke standpunt

95.

Welke omschrijving hoort bij dit schooltaalwoord?

regelmatig

a)

wat je hierna kan lezen

b)

niet in detail, algemeen

c)

dikwijls en op vaste tijdstippen

d)

samengesteld zijn uit

96.

Duid de correcte schrijfwijze aan.

a)

sms'je

b)

smsje

c)

sms-je

d)

sms,je

97.

Duid de correcte schrijfwijze aan.

a)

rijnigen

b)

reinigen

98.

Duid de correcte schrijfwijze aan.

a)

applaus

b)

aplaus

99.

Duid de correcte schrijfwijze aan.

a)

discusie

b)

discussie

c)

diskussie

d)

diskusie

100.

Duid de correcte schrijfwijze aan.

a)

exkursie

b)

exursie

c)

excursie

d)

excurcie