wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

B2a BS 1. Genotype en fenotype

Total questions: 11

Worksheet time: 3mins

Name
Class
Date
1.

Een jongen met erfelijke informatie voor zwart haar verft zijn haar blond. Zijn fenotype verandert.

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

Een jongen met erfelijke informatie voor zwart haar verft zijn haar blond. Zijn genotype verandert.

a)

Waar

b)

Niet waar

3.

Wat kan worden bepaald door het milieu waarin iemand zich bevind? (Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Gewicht

b)

Haarkleur

c)

Hobby's

d)

Bloedgroep

4.

Chromosomen bestaan voor een groot deel uit...?

a)

Verschillende genotypen

b)

Verschillende fenotypen

c)

DNA

d)

Eigenschappen

5.

Waar kunnen we chromosomen precies vinden?

a)

In elke lichaamscel

b)

In de kern van ei- en zaadcellen

c)

In de kern van elke lichaamscel

d)

In het cytoplasma van lichaamscellen

6.

Hoe komt het fenotype van organisme tot stand?

a)

Het genotype

b)

Invloeden van het milieu

c)

Invloeden van het milieu en het genotype

d)

Door de erfelijke informatie die je van je ouders krijgt

7.

Hoeveel chromosomen paren bezitten mensen per cel?

a)

46

b)

23

c)

21

d)

40

8.

Wat is het fenotype van een organisme?

a)

Alles wat een organisme heeft geërfd van vader en moeder

b)

Alle eigenschappen die het DNA bevat

c)

Alle zichtbare eigenschappen

d)

De informatie die de chromosomen bevatten

9.

Wat is de juiste volgorde van de volgende begrippen? (van ''groot'' naar ''klein'')

a)

Organisme - lichaamscel - chromosoom - DNA

b)

Organisme - chromosoom - lichaamscel -DNA

c)

Organisme - chromosoom - DNA - lichaamscel

d)

Organisme - lichaamscel - DNA - chromosoon

10.

Wat ligt er in je DNA?

a)

Chromosomen

b)

Erfelijke informatie

c)

Genotype en fenotype

d)

Het fenotype

11.

Wat gebeurt er met je genotype als iemand zijn fenotype veranderd?

a)

Past zich aan aan de verandering van het fenotype

b)

De erfelijke informatie veranderd

c)

Blijft hetzelfde