wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsquiz 1B leerstof 2e trimester

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Hoe schrijf je het getal drie miljoen twintigduizend en vier tienden in cijfers? (TIP: gebruik een tabel!)

a)

320000,4

b)

320014

c)

3020014

d)

3020000,4

2.

Welk getal bekom je? 15 D + 8 h (TIP: gebruik een tabel!)

a)

1500,8

b)

15000,8

c)

1500,08

d)

15000,08

3.

Welk natuurlijk getal komt na 4,78?

a)

4

b)

4,79

c)

4,8

d)

5

4.

Wat is het kleinste getal van 4 verschillende cijfers?

a)

0123

b)

1023

c)

1230

d)

1234

5.

24 x 25 = ... (TIP: x25 = x... en dan : ...)

a)

60

b)

600

c)

800

d)

1200

6.

Wat zijn de delers van 16?

a)

0, 16, 32, 48, 64, ...

b)

16, 32, 48, 64, ...

c)

1, 2, 4 en 16

d)

1, 2, 4, 8 en 16

7.

7000 : 50 = ... (TIP => =50 = : ... en x ...)

a)

14

b)

35

c)

140

d)

350

8.

Welke uitspraak is fout?

a)

234 is deelbaar door 2

b)

234 is deelbaar door 3

c)

234 is deelbaar door 4

d)

234 is deelbaar door 9

9.

375 is NIET deelbaar door ...

a)

3

b)

5

c)

9

d)

25

10.

Een leerling lost de oefening 2,38 x 4,7 op door te cijferen. Ze laat de komma's weg en rekent de oefening juist uit en bekomt 11186. Ze plaatst daarna de komma juist terug. Wat is haar antwoord?

a)

1,1186

b)

11,186

c)

111,86

d)

1118,6

11.

Maak volgende deling door te cijferen tot de rest = 0 en duid het juiste antwoord aan => 2824 : 5 = ...

a)

564

b)

564,4

c)

564,8

d)

564,48

12.

Deel tot op 0,01 nauwkeurig door te cijferen => 246 : 7

Wat is de rest?

a)

De uitkomst is 35,14 en er is geen rest.

b)

De uitkomst is 35,14 en de rest is 2.

c)

De uitkomst is 35,14 en de rest is 3.

d)

De uitkomst is 351,42 en de rest is 6.

13.

Welke breuk is een echte breuk, maar geen stambreuk?

a)

1/3

b)

2/3

c)

3/3

d)

4/3

14.

Welk deel is gekleurd?

a)

1/8

b)

1/10

c)

1/12

d)

1/14

15.

Reken uit: 5/6 van 1 uur (zet om in minuten!) is ... minuten

a)

10

b)

20

c)

45

d)

50

16.

Zet om in een breuk: 3,178 = ...

a)

3178/10

b)

3178/100

c)

3178/1000

d)

3178/10000

17.

Vereenvoudig zo ver mogelijk: 18/24 = ...

a)

9/12

b)

6/8

c)

3/4

d)

2/3

18.

In welke rij zijn de breuken juist gerangschikt van groot naar klein?

a)

1/3 1/4 1/5 1/6

b)

2/5 3/5 4/5 6/5

c)

1/6 1/5 1/4 1/3

d)

in geen enkele rij van de rijen hierboven

19.

Reken uit: 1/4 + 2/3 = ... (TIP: maak de breuken eerst gelijknamig!)

a)

3/7

b)

3/12

c)

7/12

d)

11/12

20.

Kies de juiste inhoudsmaat: de inhoud van een koffielepel is ongeveer 5 ...

a)

ml

b)

mm

c)

cl

d)

dl

21.

Sara en Christophe losten elk een oefening op inhoudsmaten op. Wie deed het juist?

Sara haar oefening: 15 l = 15000 ml

Christophe zijn oefening: 3,84 cl = 38,4 l

a)

Niemand

b)

alleen Sara

c)

alleen Christophe

d)

Sara en Christophe

22.

5 dl + ... cl = 6,2 l

a)

1,2

b)

12

c)

57

d)

570

23.

Vul in met de juiste inhoudsmaat: 5,8 cl x 10 = 5,8 ...

a)

ml

b)

cl

c)

dl

d)

l

24.

Welke definitie is juist?

a)

Een vierhoek is een vlakke figuur met 4 gelijke hoeken en 4 even lange zijden.

b)

Een parallellogram is een vierhoek met 2 paar evenwijdige zijden.

c)

Een rechthoek is een vlakke figuur met 4 rechte hoeken

d)

Alle definities hierboven zijn juist.

25.

Een zwembad heeft een lengte van 25 m en een breedte van 10 m. Wat is de omtrek en de oppervlakte van het zwembad?

a)

De omtrek is 35 m en de oppervlakte is 250 m².

b)

De omtrek is 70 m en de oppervlakte is 250 m².

c)

De omtrek is 250 m en de oppervlakte is 35 m².

d)

De omtrek is 250 m en de oppervlakte is 70 m².

26.

Een weide heeft een omtrek van 70 m. De breedte is 10 m. Hoeveel is de lengte van de weide?

a)

7 m

b)

25 m

c)

50 m

d)

60 m

27.

Ik wil een muur verven waarvan de lengte van 10 m is en de breedte 5 m. De verf kost 5 euro/m². Hoeveel zal het kosten om de muur te verven. Kies de juiste berekening.

a)

1) omtrek = 10 m + 5 m + 10 m + 5 m = 30 m 2) prijs = 30 x 5 = 150 euro

b)

1) omtrek = 10 m + 5 m + 10 m + 5 m = 30 m 2) prijs = 30 : 5 = 6 euro

c)

1) oppervlakte = 10 m x 5 m = 50 m² 2) prijs = 50 x 5 = 250 euro

d)

1) oppervlakte = 10 m x 5 m = 50 m² 2) prijs = 50 : 5 = 10 euro

28.

Ann scoorde op haar sb's volgende resultaten: 5, 3, 6 en 10. Wat is het gemiddelde van haar punten?

a)

5

b)

6

c)

7

d)

15

29.

Hierboven zie je een grafiek over het aantal verkeerscontroles in 6 steden. Welke bewering hieronder is fout?

a)

Dat is een staafdiagram

b)

Aarschot heeft de meeste verkeerscontroles van de 6 steden.

c)

In Tongerlo waren er 35 controles minder dan in Zoerle.

d)

Alle beweringen hierboven zijn juist.

30.

Er werd aan 200 leerlingen gevraagd hoe ze naar school komen. De resultaten staan in bovenstaand cirkeldiagram.

Hoeveel leerlingen kwamen te voet?

a)

30

b)

80

c)

90

d)

Dit kan je niet weten.