wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling Verleden Tijd

Total questions: 18

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een sterk werkwoord?

a)

Woorden zoals 'kracht, gewichtheffen en bodybuilding'

b)

Een werkwoord krijgt een andere klank in de verleden tijd

c)

Een werkwoord kan niet in de verleden tijd worden gezet

d)

Sterke werkwoorden bestaan niet

2.

Hoe weet je hoe je een sterk werkwoord schrijft?

a)

't ex-kofschip

b)

Langer maken

c)

Dit moet je onthouden

d)

Sterke werkwoorden schrijf je net als zwakke werkwoorden

3.

Waar kun je 't ex-kofschip voor gebruiken?

a)

Als je niet weet of de persoonsvorm met -de(n) of -te(n) geschreven moet worden

b)

Als je niet weet hoe je een sterk werkwoord schrijft

c)

Als het werkwoord in het meervoud staat

d)

Als er meerdere werkwoorden in de zin staan

4.

Hoe maak je de stam van een werkwoord?

a)

-en van het hele werkwoord afhalen

b)

't ex-kofschip gebruiken

c)

Het werkwoord langer te maken

d)

Het werkwoord vooraan de zin te zetten

5.

Verleden tijd


Gisteren (plukken) ............. ik de appels.

a)

plokte

b)

plukde

c)

pluktte

d)

plukte

6.

Verleden tijd


Toen (ontpitten) .......... ik ze vakkundig.

a)

ontpite

b)

ontpitte

c)

ontpitten

d)

ontpit

7.

Verleden tijd


Ten slotte (toevoegen) ......... we eieren .......

a)

voegte ... toe

b)

voegen ... toe

c)

voegde ... toe

d)

voegden ... toe

8.

Verleden tijd


De smaak (verrassen) ..... me heel erg.

a)

verraste

b)

verraste

c)

verrastte

d)

verrasste

9.

Verleden tijd


De klas ... (zwemmen) in een mooi zwembad.

a)

zwommen

b)

zwom

c)

zwemde

d)

zwemte

10.

Verleden tijd


Toen moeder riep, (haasten) ... we ons naar huis.

a)

haasten

b)

haastten

c)

haastte

d)

haaste

11.

Verleden tijd


Gelukkig (komen) ... we niet te laat voor het eten.

a)

kwamen

b)

komden

c)

kwamden

d)

kamen

12.

Verleden tijd


Het verlegen kind (durven) ... niet binnen komen.

a)

durvde

b)

durfte

c)

durfden

d)

durfde

13.

Verleden tijd


Maar even later (verdwijnen) ...... de ruzie als vanzelf.

a)

verwijnt

b)

verdwijnde

c)

verdween

d)

verdwenen

14.

Verleden tijd


Het meisje (beantwoorden) ... die vraag ontzetten snel.

a)

beantwoorden

b)

beantwoordden

c)

beantwoordde

d)

beantwoorde

15.

Verleden tijd


Het schip (dobberen) ... op de golven.

a)

dabberde

b)

dobberte

c)

dobberde

d)

dobberden

16.

Verleden tijd


De wrakstukken (drijven) ... naar de kust.

a)

dreven

b)

droven

c)

drijvden

d)

drijfden

17.

Verleden tijd


De leerlingen (vinden) ... haar heel mooi.

a)

vinden

b)

vonden

c)

vond

d)

vindt

18.

Verleden tijd


De leerkrachten (komen) ... 's ochtends aan op school.

a)

komen

b)

kwamen

c)

kom

d)

kwam