wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2 basis - H6 Krachten en beweging paragraaf 1-2-3-4

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Welke uitwerkingen kan een kracht hebben. Let op: meerdere antwoorden mogelijk.

a)

een kracht kan de snelheid veranderen

b)

een kracht kan de vorm veranderen

c)

een kracht kan de temperatuur veranderen

d)

een kracht kan de richting veranderen

2.

Wat zijn voorbeelden van de uitwerking van een kracht? Let op: meerdere antwoorden mogelijk.

a)

een honkbal vliegt weg doordat je deze slaat met een knuppel

b)

water in een pan kookt doordat je deze op het fornuis zet

c)

een auto krijgt een deuk doordat je er tegen aan rijd

3.

Je hebt kracht nodig om iemand op te tillen omdat...

a)

de zwaartekracht meewerkt

b)

de zwaartekracht tegen werkt

c)

de zwaartekracht geen invloed heeft

4.

de zwaartekracht hangt af van de snelheid van een voorwerp

a)

waar

b)

niet waar

5.

Een voorwerp met een massa van 2 kg heeft een zwaartekracht van....

a)

2 N

b)

20 N

c)

200 N

d)

2000 N

6.

Waarmee kun je een kracht meten?

a)

met een thermometer

b)

met een snelheidsmeter

c)

met een veerunster

d)

met een klok

7.

Welke kracht wordt gebruikt in een stuwdam?

a)

spierkracht

b)

waterkracht

c)

veerkracht

d)

mechanische kracht

8.

Je rijdt 280 km. Je doet er 4 uur over. Wat is je gemiddelde snelheid?

a)

7 km/h

b)

70 km/h

c)

14 km/h

d)

1040 km/h

9.

Je rijdt op een scooter. Er steekt iemand over, dus je remt af. Wat voor soort beweging is dit?

a)

versnelde beweging

b)

eenparige beweging

c)

vertraagde beweging

10.

Je stapt op je fiets en rijdt weg. Je gaat steeds harder fietsen. Wat voor beweging is dit?

a)

versnelde beweging

b)

eenparige beweging

c)

vertraagde beweging

11.

Je rijdt 150 km. Je doet er 3 uur over. Wat is je gemiddelde snelheid?

a)

5 km/h

b)

50 km/h

c)

15 km/h

d)

150 km/h

12.

De remweg is niet altijd even lang. Door welk din verandert de remweg van een auto?

a)

door de snelheid van de auto

b)

door de banden van de auto

c)

door de airbag van de auto

d)

door de massa van de auto

13.

Je snelheid wordt twee keer zo groot. Wat gebeurt er dan met de remweg?

a)

wordt korter

b)

blijft gelijk

c)

wordt groter

14.

Wanneer reageert iemand langzamer dan normaal? (slechtere reactietijd)

a)

als de banden versleten zijn

b)

als de snelheid groter is

c)

als het regent of sneeuwt

d)

als hij/zij niet goed oplet

15.

Een brommer rijdt 10 m/s. De reactie-tijd van de bestuurder is 2 s .Wat is de reactie-afstand?

a)

1 m

b)

2 m

c)

10 m

d)

20 m

16.

De reactie-afstand is 20 m. De remweg is 40 m. Wat is de stop-afstand?

a)

20 m

b)

40 m

c)

60 m

d)

80 m

17.

Als je op de fiets moet remmen of uitwijken. Waarvoor heb je kracht nodig?

a)

voor geen van beiden

b)

om te remmen

c)

om uit te wijken

d)

voor remmen en uitwijken

18.

Waarvoor dient de veiligheids-gordel in je auto?

a)

Zodat de vorm van de auto niet veranderd bij een botsing.

b)

Zodat de airbag op tijd opgeblazen kan worden.

c)

Zodat de kracht op je lichaam kleiner wordt bij een botsing

19.

Wanneer beschermt een hoofdsteun je nek?

a)

bij een botsing van voren

b)

bij een botsing van achteren

c)

bij een botsing van voren en van achteren

d)

nooit

20.

Wat is een eenparige beweging?

a)

Een beweging waarbij de snelheid steeds groter wordt.

b)

Hoeveel afstand een voorwerp, gemiddeld, aflegt in een bepaalde tijd.

c)

Een beweging waarbij de snelheid gelijk blijft.

d)

Een beweging waarbij de snelheid steeds afneemt.