wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

HC Steden en Burgers: Centralisatie

Total questions: 15

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

Welke omschrijving past het beste bij het begrip staatsvorming?

a)

Centrale bestuursraden, ingesteld door Karel V ter bevordering van de centralisatie van de Nederlanden.

b)

Het streven van vorsten om hun losse gebieden bijeen te brengen binnen één land met een centraal bestuur.

c)

Het streven van vorsten naar het vestigen van één centraal bestuur met dezelfde wetten en regels.

d)

Het streven van de gewesten en steden in de Nederlanden om hun zelfstandigheid te behouden.

2.

Welke drie partijen streden aan het einde van de Middeleeuwen om de macht

a)

Geestelijkheid, adel en steden

b)

Koning, adel en steden

c)

Geestelijkheid, koning en steden

d)

Koning, adel en geestelijkheid

3.

Waarom werd de adellijke heer van de steden vaak gedwongen om privileges te geven?

a)

Het waren vooral de steden die voor zijn inkomsten (belasting) moesten zorgen.

b)

Het waren vooral de steden die voor zijn bescherming (leger) moesten zorgen.

c)

Het waren vooral de steden die hem steunden in zijn machtsstrijd tegen de koning.

d)

Het waren vooral de steden die mensen leverden die konden lezen en schrijven. Die had adellijke heer nodig voor het opstellen van wetten en regels.

4.

Waar gaat de afbeelding over?

a)

Privileges

b)

Collaterale Raden

c)

Standenmaatschappij

d)

Autarkie

5.

Welke omschrijving past het beste bij het begrip de Gewestelijke Staten?

a)

Bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de beleidsuitvoering

b)

Vergadering van de gezamenlijke Gewestelijke Staten.

c)

Centrale bestuursraden, ingesteld door Karel V ter bevordering van de centralisatie van de Nederlanden.

d)

Bestuur van een gewest, gevormd door vertegenwoordigers van de drie standen: geestelijkheid, adel en burgerij.

6.

Wat is een tegenstelling?

a)

Centralisatie - particularisme

b)

Landvoogd - stadhouder

c)

Geheime raad - Raad van State

d)

Centralisatie - uniformering

7.

Met de komst van wie begint de Bourgondisch-Habsburgse dynastie voor de Nederlanden?

a)

Maximiliaan van Habsburg

b)

Maria van Bourgondië

c)

Karel de Vijfde

d)

Filips II

8.

Wat is een stadhouder?

a)

Plaatsvervanger van de landsheer in alle gewesten.

b)

Plaatsvervanger van de heer binnen een gewest.

9.

Wat doet de Raad van State?

a)

Geeft advies op het gebied van bestuur en oorlogvoering

b)

Beleidsuitvoering ten aanzien van rechtspraak en wetgeving

c)

Regelt geldzaken zoals eenheid van belastingheffing

10.

Welk kenmerkend aspect past NIET bij deze paragraaf?

a)

De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden

b)

Het begin van staatsvorming en centralisatie

c)

Het begin van de Europese expansie over zee

11.

Uit hoeveel gewesten bestonden de Nederlanden aan het begin van de 16e eeuw?

a)

3

b)

12

c)

17

d)

28

12.

Welke religie had Karel de Vijfde?

a)

Protestant

b)

Katholiek

13.

In welk tijdvak regeerde Karel V

a)

Tijd van Monniken en Ridders

b)

Tijd van Steden en Staten

c)

Tijd van Ontdekkers en Hervormers

d)

Tijd van Regenten en Vorsten

14.

Wat betekent soevereiniteit?

a)

Hoogste macht

b)

Beperkte macht

c)

Gedeelde macht

d)

Centrale macht

15.

In welke eeuw regeerde Karel de Vijfde?

a)

12e eeuw

b)

15e eeuw

c)

16e eeuw

d)

17e eeuw