wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Examen oefenen nask

Total questions: 29

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.
Wat betekent het volgende symbool?
a)
Lampje
b)
Batterij
c)
Schakelaar
d)
Meter
2.
Welke eenheid hoort bij spanning?
a)
Ampère
b)
Watt
c)
Wattuur
d)
Volt
3.
Hoeveel energie gebruikt een computer van 400 Watt als hij 3 kwartier aanstaat?
a)
1200 Wh
b)
300 Wh
c)
133,33 Wh
d)
403 Wh
4.
Hoeveel Volt wijst de meter aan?
a)
10
b)
11
c)
12
d)
13
5.
Welke schakeling staat op het plaatje?
a)
Serieschakeling
b)
parallelschakeling
c)
hotelschakeling
d)
gemengde schakeling
6.
Een waterkoker met een weerstand van 30 Ω wordt aangesloten op het stopcontact. Bereken het vermogen.
a)
1,2 kW
b)
30 W
c)
1,8 kW
d)
1,6 MW
7.
U1 = 3,5 V
I = 0,23 A
R2 = 36 Ω
Bereken Ubron.
a)
7,0 V
b)
8,3 V
c)
11,8 V
d)
160 V
8.
Wat is een voorbeeld van een legering?
a)
Koper
b)
Staal
c)
Tin
d)
IJzer
9.
Wat is GEEN stofeigenschap?
a)
Dichtheid
b)
Kleur
c)
Temperatuur
d)
Smeltpunt
10.
De wetenschappelijke eenheid van temperatuur is Kelvin. Hoe reken je om van graden celsius naar Kelvin?
a)
-100
b)
+100
c)
-273
d)
+273
11.
0,0035 m is het zelfde als
a)
3,5.103 m
b)
3,5 mm
c)
3500 mm
d)
3,5 cm
12.
1500 kg is het zelfde als
a)
1,5.103 g
b)
15000 g
c)
1,5.106 g
d)
1,5.10-6 g
13.

Met een hefboom breng je kracht en beweging over van de ene kant naar de andere kant.

a)

waar

b)

niet waar

14.

Een voorwerp met een massa van 2 kg heeft een zwaartekracht van....

a)

2 N

b)

20 N

c)

200 N

d)

2000 N

15.

Je rijdt 280 km. Je doet er 4 uur over. Wat is je gemiddelde snelheid?

a)

7 km/h

b)

70 km/h

c)

14 km/h

d)

1040 km/h

16.

Je rijdt 150 km. Je doet er 3 uur over. Wat is je gemiddelde snelheid?

a)

5 km/h

b)

50 km/h

c)

15 km/h

d)

150 km/h

17.
de eenheid van kracht is
a)
Newton
b)
Joule
c)
Kelvin
d)
Tesla
18.
Een eenheid van het moment is
a)
Nm
b)
Nkg
c)
N/cm3
d)
Kgm/s2
19.
als het systeem in evenwicht is dan
a)
het moment links groter dan rechts
b)
het moment rechts groter dan links
c)
de momenten links en rechts gelijk
d)
er kan helemaal geen evenwicht zijn
20.
Op een voorwerp werkt een zwaartekracht van 754N de massa van het voorwerp is
a)
75,4 kg
b)
74,5 kg
c)
54,7 kg
d)
57,4 kg
21.
wat is een takel?
a)
een vaste katrol aan het plafond
b)
een losse katrol aan de last
c)
een combinatie bestaande uit een vaste en een losse katrol
d)
een combinatie bestaande uit ten minste een losse en ten,minste een vaste katrol
22.
een doos van 25kg wordt met behulp van een vaste katrol gehesen. Hoe groot moet de minimale hijskracht zijn?
a)
25kg
b)
25N
c)
250kg
d)
250N
23.
bekijk de afbeelding goed en bereken de ontbrekende kracht in N
a)
180 N
b)
60 N
c)
120 N
d)
40 N
24.
Kinetische energie bereken je met:
a)
Ek= F*s
b)
Ek= m*v
c)
Ek= 0,5m*v
d)
Ek= 0,5m*v2
25.
Het onweert. Tussen de flits en het gedonder zit 5,2 seconden. Hoever is het onweer bij je vandaan?
a)
5,2 x 343 = 1783,60 m
b)
5,2 x 343 = 1783,6 s
c)
343 : 5,2 =  65,96 km
d)
343 : 5,2 = 65,96 m
26.
Geluidssterkte geef je aan met
a)
DeB
b)
dB
c)
DB
d)
DEB
27.

Wat is een geluidsbron?

a)

een voorwerp dat door mensen gemaakt is

b)

een voorwerp dat in de natuur voorkomt

c)

een voorwerp dat geluiden omzet in lucht

d)

een voorwerp dat trillingen veroorzaakt

28.

Van welke 3 dingen hangt de toonhoogte van een snaar af?

a)

hoe dik de snaar is

b)

hoe lang de snaar is

c)

de kleur van de snaar

d)

hoe strak de snaar is gespannen

29.

Wat verander je als je een gitaar stemt?

a)

de dikte van de snaren

b)

de lengte van de snaren

c)

de spanning van de snaren