wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Verkeersborden

Total questions: 22

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Dit bord betekent ‘verboden toegang in beide richtingen’.

a)

juist

b)

niet juist

2.

Je rijdt met de fiets en ziet dit bord aan het begin van de weg. Je rijdt de weg in.

a)

Dit mag.

b)

Dit mag niet.

3.

Je zit in de auto met je tante en ziet dit bord. Je tante rijdt de straat in.

a)

Dit mag.

b)

Dit mag niet.

4.

Je bent te voet en ziet dit bord. Je gaat hier niet verder, want dat is verboden voor voetgangers.

a)

Dit is juist.

b)

Dit is niet juist.

5.

Je rijdt met de fiets en ziet dit bord. Je slaat linksaf.

a)

Dit mag.

b)

Dit mag niet.

6.

Duid de juiste betekenis van het verkeersbord aan.

a)

vermindering van het aantal rijstroken

b)

wegversmalling

c)

verboden in te halen voorbij het bord

7.

Duid de juiste betekenis van het verkeersbord aan.

a)

overweg zonder slagbomen

b)

overweg met enkel spoor

c)

overweg met slagbomen

8.

Duid de juiste betekenis van het verkeersbord aan.

a)

Je nadert een oversteekplaats voor voetgangers.

b)

Je nadert een plaats waar speciaal veel kinderen komen.

c)

Je nadert een plaats waar de voetgangers op de rijbaan stappen.

9.

Duid de juiste betekenis van het verkeersbord aan.

a)

een overweg met slagbomen

b)

een naderende trein of tram

c)

een overweg zonder slagbomen

10.

Duid de juiste betekenis van het verkeersbord aan.

a)

Je moet voorrang verlenen aan fietsers.

b)

Je nadert een oversteekplaats voor fietsers.

c)

fietspad, verplicht te gebruiken

11.

1) Tom rijdt op de fietsstrook. Wat is waar?

a)

Tom moet altijd op de fietsstrook rijden. Ook als hij rechtsaf wil.

b)

Tom moet nu rechtdoor gaan. Als hij rechtsaf wil, moet hij in het

vak voor rechtsaf gaan rijden.

c)

Tom mag zelf weten of hij op de fietsstrook blijft of in het vak

met de pijl rechts gaat rijden. Op beide plaatsen mag hij

rechtdoor of rechtsaf.

12.

De kinderen rijden een eenrichtingsstraat in. Kijk hoe ze fietsen. Wat is waar?

a)

De kinderen mogen zo breeduit de straat inrijden. Er mag

toch niemand tegemoet komen rijden.

b)

De kinderen mogen anderen niet hinderen. Ze kunnen nu

beter achter elkaar gaan rijden, dan kan de zwarte auto hen

inhalen.

c)

De kinderen moeten even aan de kant gaan en afstappen en

de auto voorbij laten gaan.

13.

In het opstelvak staan fietsers. Welke uitspraak is juist?

a)

Op dit drukke kruispunt is een opstelvak voor fietsers handig. Je

kunt dan voor de auto’s wegrijden. Het maakt niet uit waar je in

het vak gaat staan.

b)

Dit opstelvak voor fietsers is handig als je hier linksaf wilt gaan.

c)

Dit opstelvak voor fietsers is handig. Je moet wel op de goede

plek wachten. Wil je rechtsaf, dan wacht je rechts in het vak. Wil

je rechtdoor? Dan wacht je hier in het midden of links.

14.

Welk verkeersbord betekent:

'kruispunt waar de voorrang van rechts geldt'?

a)
b)
c)
d)
15.

Welk verkeersbord betekent:

'Fietspad, verplicht om te gebruiken'?

a)
b)
c)
d)
16.

Welk verkeersbord betekent:

'Je moet stoppen en voorrang geven'?

a)
b)
c)
d)
17.

Welk verkeersbord betekent:

'Verplicht om rechts af te slaan'?

a)
b)
c)
d)
18.

Welk verkeersbord betekent:

'Je moet voorrang geven aan bestuurders die uit tegenovergestelde richting komen?'

a)
b)
c)
d)
19.

Dit verkeersbord betekent 'verplichte weg voor voetgangers'.

a)

Juist

b)

Fout

20.

In deze richting geldt een rijverbod voor...

a)

autobestuurders.

b)

fietsers en autobestuurders.

c)

fietsers, autobestuurders en andere motorvoertuigen.

d)

autobestuurders en andere motorvoertuigen.

21.

Fietsers hebben op deze oversteekplaats ...

a)

voorrang.

b)

geen voorrang.

22.

Op welke plaats hebben fietsers wel voorrang?

a)
b)
c)
d)